Hoe ik leerde omgaan met stotteren

Janita stottert sinds het moment dat ze kan praten. Ze probeerde met wisselend succes verschillende therapieën uit en weet intussen steeds beter hoe ze haar hakkel kan omarmen.

Lees ook: Waarom je pas echt perfect bent als je dat niet bent

Leven met een karaokeapparaat in je hoofd. Met die omschrijving heb ik vaak aan andere mensen proberen uit te leggen wat het voor mij betekende om te stotteren. Hoe het is om je bewust te zijn van werkelijk ieder woord dat je gáát uitspreken. Om in je hoofd continu van tevoren zinnen te construeren. En de angst die je in een milliseconde overvalt als je op je innerlijke karaokescherm een woord in rood ziet oplichten en je weet: als ik dat woord probeer uit te spreken, loop ik onherroepelijk vast. En dat, is zo gênant dat ik er alles aan zal doen om het te voorkomen.

In mijn geval en in dat van veel andere mensen die stotteren, zorgt schaamte ervoor dat we ons niet eerlijk uitspreken. Als we bij de Italiaan eigenlijk zin hebben in pasta carbonara, maar moeite hebben de met de harde c-klank, kiezen we toch maar voor lasagne. Dat woord komt er namelijk wel in één keer vloeiend uit. Ontspannen in gezelschap? Tja, das lastig. Want als je met andere mensen bent, zal er op een bepaald moment onherroepelijk gesproken moeten worden. En praten staat gelijk aan spanning. Vooral voor een verborgen stotteraar, want iemand die zijn hakkel zorgvuldig weet te verbergen, kan ieder moment ontmaskerd worden.

Dat was in elk geval jarenlang mijn gedachteproces. Sinds het moment dat ik kan praten, hakkel ik. Maar in mijn tienerjaren was daar vrijwel niets meer van te merken. Zo bedreven was ik geworden in het omzeilen van voor mij lastige letters. Een synoniem voor een moeilijk woord? Ik had er drie paraat! Vrolijk en ad rem aan de buitenkant, maar ondertussen: één brok spanning en bijna geobsedeerd door het vurige verlangen om een vloeiende spreker te zijn.

Ik volgde reguliere logopedie (hielp vrij weinig), deed een cursus bij het Del Ferro Instituut (werkte juist averechts) en belandde op mijn vijfentwintigste uiteindelijk bij het Hausdörfer-Instituut. In de bossen bij Baarn volgde ik twee weekenden de cursus Natuurlijk Spreken. Samen met een gemêleerd gezelschap van andere stotteraars, onder wie: een succesvolle directeur van een architectenbureau, een vrolijke Marokkaans-Nederlandse hulpverlener, een zelfverzekerde zakenvrouw en een lieve en grappige jongen van achttien uit het Gooi die ik zo had willen adopteren als mijn broertje.

En terwijl we idiootlange klanken aan het produceren waren en ons stemgeluid alle hoeken van de kamer lieten zien – lekker en bevrijdend dat dat was! –  begon me ineens iets te dagen wat nog veel bevrijdender was. Ik vond mijn medecursisten leuk. Ze waren – oké op één of twee zeurpieten na – leuke, grappige, charmante, intelligente en succesvolle mensen, die toevallig ook stotterden. Maar dat stotteren was maar één aspect van wie zij waren.  En als ik mijn medecursisten op deze manier zag, als personen die (weleens) stotterden in plaats van als stotteraars, waarom zouden andere mensen mij dan ook niet op die manier zien?

Dat besef was het omslagpunt. De kluwen van schaamte en angst ontrolde zich razendsnel. Het overdreven en ontspannen klanken maken waarbij je tegelijkertijd naar je eigen stem luistert, hielp daarbij. Voor het eerst volgde ik een spraaktherapie die er niet op gericht was om niet te stotteren. Gaandeweg begon ik te begrijpen dat het veel belangrijker was hoe ik me voelde, dan hoe ik voor de buitenwereld klonk en in hoeverre mijn spraak al dan niet vloeiend was. Ik zette telkens nieuwe stappen, alsof ik met mijn hakkel uit de kast kwam. En natuurlijk: des te minder stress ik had over wat anderen eventueel van mijn spraak zouden vinden, des te ontspannender en vloeiender ik ging spreken.

Het fantastische boek Redefining stuttering van John Harrison, wat ik het liefst bij alle mensen die stotteren persoonlijk in de brievenbus zou willen stoppen, deed daar nog een schepje bovenop. Het liet me begrijpen dat stotteren niet – of in ieder geval niet alleen-  een obstakel is, maar je ook behulpzaam kan zijn in je persoonlijke ontwikkeling. Harrison moedigt zijn lezers aan om te onderzoeken in welke situaties en bij welke personen zij veel of juist vrij weinig stotteren. Door daar op te letten, begon ik mijn hakkel steeds meer te waarderen als een goed afgestelde eerlijkheidsdetector en persoonlijke ontwikkelingsthermometer ineen. Zo kwam ik er bijvoorbeeld achter dat ik begon te stotteren als ik mijn woede of ergernis onderdrukte of wanneer ik vond dat ik uit fatsoen een gesprek met iemand moest voeren terwijl ik daar eigenlijk totaal geen zin in had. Maar ja, wie heeft er zin in stotteren of in spreekspanning?

En zo brengt mijn hakkel mij steeds iets dichter bij mezelf. En hoe meer ik in lijn leef met wie ik ben, hoe vloeiender ik ga spreken. Al is vloeiend spreken allang niet meer mijn doel. Oscar Hausdörfer, voormalig zware stotteraar uit de negentiende eeuw, uitvinder van de Hausdörfer-methode en natuurlijk gewoon een Held, zei niet voor niets: ‘Een stotteraar genezen, is hem laten uitgroeien tot een persoonlijkheid’. Andersom zou je ook kunnen zeggen dat stotteren je de kans biedt om uit te groeien tot een persoonlijkheid. Voor mij is iedere hakkel – of ik er op dat moment om kan lachen of juist even niet – daar een reminder van.

Lees ook: Zelfcompassie: zo belangrijk is het dat je je eigen beste vriend bent.

Geschreven door

Freelancejournalist, copywriter en schrijfcoach. Studeerde psychologie en schrijft het liefst in gezelschap van een goede flat white over persoonlijke ontwikkeling, zingeving en tijdgeest. Droomt van een wereld waarin steeds meer mensen de kans krijgen om zich te ontwikkelen en tot bloei te komen.