Hoe je een haat/liefde verhouding met De Grote Stad kunt hebben

Als kind kwam Miriam graag samen met haar ouders in Amsterdam. Maar Amsterdam is sindsdien zó veranderd dat Miriam er een haat/liefde verhouding mee heeft.

Sinds een jaar moet ik regelmatig voor mijn werk naar Amsterdam. Naar Amsterdam! De ‘Grote’ stad! Elke keer is dat een heel gedoe. Eerst dienen er voor dag en dauw koeien gemolken te worden. Hooibalen dienen te worden gesorteerd op kleur. Mijn klompen uitgeschud, mijn boerenkiel in de wastobbe gedropt. Zondagse kleding aan om daarna mijn reservaat pas te verlaten. Hek dicht. Snel naar het station. In de trein heb ik één uur en veertig minuten de tijd om mijn accent af te leren en mijn Engels op te vijzelen. Say what? Engels ja. De voertaal in onze geliefde hoofdstad.

De eerste keer dat ik in een restaurantje iets bestelde werd ik in het Engels aangesproken. Ik zei: ‘Ik spreek gewoon Nederlands hoor. Weliswaar met een zachte G maar toch…’ De serveerster staarde me wezenloos aan: ‘Sorry I don’t speak Dutch’. Oh. Ok. Al snel ontdekte ik dat het niet de bedoeling was om in winkels, op terrassen, of om willekeurige voorbijgangers aan te spreken in onze eigen taal. Daar moet je bij ons in de provincie niet mee aan komen. Als wij door bedienend personeel in het Engels worden geholpen? Wij antwoorden stug terug in het Nederlands. Misschien een béétje langzamer en wat duidelijker gearticuleerd, maar in het Engels? Gekkigheid.

Wat mij elke keer ook énorm verbaasd is die hash lucht die overal vandaan dwarrelt. Alsof Amsterdam de afgelopen decennia één grote kolkende massa wietrokers heeft omarmd. Ik geloof dat dus niet. Járen geleden kon het wel eens gebeuren dat je op de Zeedijk liep en je per ongeluk iets ‘verdachts’ rook. Ik vermoed dat de gemeente die wietlucht strategisch uit rookkanalen laat komen om zo het imago in stand te houden dat het zo’n liberale stad is. Bij ons in de provincie ruik je nooit wiet. Heel af en toe als je voorbij een boerderij of een gezellig rijtjeswoning fietst ruikt het er een beetje naar aceton. Dan weten wij: Oh GHB labje aan huis. Gezellig. Snel doorfietsen.

Het begrip: ‘rolkoffer’. Leg het mij uit. Vroeger herkende je de gemiddelde backpacker aan zijn rastahaar èn zijn énorme dikke rugzak waar vieze gympen aan bungelden. Vroeger was elke backpacker op zoek naar een slaapplaats. Tegenwoordig dribbelen backpackers in hun Gucci loafertjes en een Louis Vuitton rolkoffer slepend achter zich aan over de grachten. Steevast met de nieuwste i-Phone aan hun hand gekleefd. Starend naar Google Maps die hen linea recta naar hun Airbnb dirigeert. Dat zijn helemaal geen backpackers. Dat zijn ordinaire toeristen. Als wij bij ons iemand met een rolkoffertje zien lopen, man óf vrouw, dan noemen we dat een ‘verdwaalde stewardess’.

En dan al die hippe tentjes. Met al die hippe dingetjes op de kaart. Met al die hippe koffietjes en theetjes met allemaal van die moeilijke namen zoals ristretto lungo of chai latte. Met allemaal hippe mensjes met hippe baardjes en hippe brillen en hippe knotten op hun hoofd. Met hippe jurken aan en hippe sneakers eronder en zo’n hip kind dat tevreden sabbelt op iets wat lijkt op een tak basilicum. Of die hippe types met hippe Macbookjes in zo’n hip hoekje aan zo’n hip tafeltje op zo’n hip ongemakkelijk stoeltje. Wat dóen zij daar overdag? Als je bij ons op een willekeurig tijdstip heet water met een stronk munt naar binnen zit te werken à raison van €4.95 dan heb je óf een vrije dag, óf je bent werkloos, of je spoort gewoon niet.

Is er dan niets wat ik leuk vind aan Amsterdam? Behalve alle geluiden? De prachtige grachten en huizen? De musea, voorstellingen en theatergebouwen? Jazeker. De anonimiteit. Dat ik gewoon door de stad kan waaien zonder een bekende tegen te komen. Dat ik in alle rust door de chaos heen laveer. In gedachten verzonken. Dat ik nooit een dag later hoef te horen: Wat deed jij dáár gisteren? Zag ik jou nou met die en die? Dat ik op de terugweg naar huis in de trein alle indrukken van mij af kan laten glijden. Thuis het hek open van mijn reservaat en de stilte die voor mij staat begroet met een: ‘Hé Lekker. Ben weer thuis’.

Lees ook: Waarom ik liever in een dorp woon dan in een stad

(Beeld: iStock)

Geschreven door