Nee, dat ben ik niet! Waarom vallen foto’s van jezelf altijd zo enorm tegen?

‘Zie ik er echt zo uit?’, dat is wat ik vaak roep als ik foto’s van mezelf zie. Wat me vooral opvalt, is dat eivormige hoofd. Meestal kijk ik wel blij in de lens. Een blij ei, dat ben ik dus. Als ik in de spiegel kijk, vind ik mezelf er een stuk beter uitzien.
En dat is geen verbeelding. Er is een waterdichte verklaring waarom dat hoofd op die foto weinig herkenning bij je oproept, terwijl je het toch echt bent. Je bent vertrouwd met wat je in de spiegel ziet, thuis wanneer je je hoofd op kleine afstand in de badkamer bestudeert. Als ik mezelf als uitgangspunt neem, kan ik alleen maar toegeven dat ik op een bepaalde manier naar mezelf in de spiegel kijk. Mijn hoofd hou ik een beetje scheef en mijn kin iets omhoog. Dat spiegelbekkie trek ik sinds ik dertien ben, en ik ben het altijd blijven doen. Ik vind mezelf het mooist vanuit die hoek. Maar het is niet per se hoe ik er in het echt uitzie. Noem het een gekleurde waarneming.
Daar komt bij dat gezichten asymmetrisch zijn. Op een foto is je gezicht niet gespiegeld, en dat doet vreemd aan. Vandaar dat je afwijzing voelt als je jezelf op een foto terugziet, zo van: maar zo zie ik er toch helemaal niet uit! Dit effect is wetenschappelijk onderzocht, al in 1977 (Reversed Facial Images and the Mere-Exposure Hypothesis). De onderzoekers stelden vast dat we de voorkeur geven aan een portret dat correspondeert met wat we in de spiegel zien, boven hoe we er in het echt uitzien. Ook wijdde fotograaf Duncan David al eens een Ted Talk aan deze theorie.
Geruststellende gedachte: vrienden zullen een foto van jou met het voor jou zo vertrouwde ‘spiegelgezicht’ maar vreemd vinden. Want aan dat gezicht zijn zij weer niet gewend.

Bekijk ook: Check! Dit is het geheim van een positief zelfbeeld

Geschreven door