Over hoe Anne haar rijangst (enigszins!) overwon

Zweethanden, knikkende knietjes en een hart dat in haar keel bonkt: alleen al bij de gedachte om achter het stuur te zitten, kreeg Anne een paniekaanval. Onlangs pakte ze het rijden toch maar weer op, maar een held zal ze nooit worden.

‘Thank god, nou hóef ik niet meer!’ We schrijven 2004 en ik heb eindelijk mijn rijbewijs gehaald, na ruim 2 jaar lessen en 6 (6!) rij-examens. Kruip ik nu trots achter het stuur, vrolijk rondscheurend door de stad? Pas du tout. Ik ben allang blij dat ik van die vervloekte rijlessen verlost ben. Het roze, duurbetaalde papiertje (toen nog geen plastic kaart) gaat snel mijn portemonnee in en fungeert daarna hooguit als identiteitsbewijs als ik drank wil kopen. Ik rijd geen meter meer. Jammer van alle moeite en het geld (mijn rijlesleraar ging altijd op vakantie naar Spanje, maar toen ik bij hem leste werd het ineens een cruise naar de Caribische eilanden, het geeft te denken), maar ik ben er he-le-maal klaar mee. Ik vind het gewoon hartstikke eng, een auto besturen. Ik ben doodsbang dat ik brokken maak, die auto niet onder controle heb, op een cruciaal moment een oerdomme fout maak.

In de veertien jaren die hierop volgen rijd ik nooit. Ook niet als ik een interview in het buitengebied van Oude-Pekela heb en ik door mijn interviewkandidate opgehaald moet worden van het station – ja, dat is tamelijk gênant voor een volwassen vrouw. Ook niet als mijn vriend verzucht dat hij wéér de BOB moet zijn na een feestje, terwijl ik net zo goed had kunnen rijden want ik drink toch nooit zo veel. Smoesjes verzinnen kan ik als de beste: in de stad kom ik overal op de fiets, en als ik voor mijn werk naar Amsterdam moet kan ik toch beter met de trein gaan, anders sta ik alleen maar in de file. Feit is dat ik het gewoon écht niet durf, autorijden. De gedachte alleen dat ik zelfstandig een auto veilig door het verkeer moet loodsen, bezorgt me rode vlekken van de stress.

‘Wat zonde!’ krijg ik natuurlijk steevast te horen als ik mijn rijangst eerlijk opbiecht. Dan moet ik moeite doen om niet met mijn ogen te rollen. Aaf Brandt Cortius verwoordde het vorig jaar zo mooi in haar Volkskrant column: ‘Van iedereen wordt elke angst, neurose en afwijking geaccepteerd, besproken en omarmd, althans, daar doen we allemaal ons best voor, maar als je met een open blik en lieve, natte ogen tegen iemand zegt dat je je ongeveer niets engers kunt voorstellen dan met 100 kilometer per uur invoegen op de snelweg, dan nemen ze je niet serieus.’ Zij noemde het autorijdyslexie: ‘Dat is dat je geen auto kunt rijden. Je kunt het ook niet leren. Ook niet van een heel aardige rijleraar. Je kunt het ook niet in een automaat of via een speciale cursus voor neurotische, angstige vrouwen. Ja, je kunt wel rijden op een geheel leeg parkeerterrein dat nooit eindigt, in een onbevolkte wereld. Maar daar heb je niets aan.’ Een prima diagnose die volledig op mij van toepassing is.

Maar: toch begon het te knagen sinds de geboorte van mijn dochter. Zij is nu drie en wil naar speeltuinen, haar nichtjes, het bos. En dat zal alleen maar meer worden in de toekomst met speelafspraken, sportclubjes en kinderfeestjes. Dus ik ben weer gaan lessen, bij een school speciaal voor mensen met autisme (heb ik niet), ADHD (nope) en angst (yep). En ik merk dat ik langzaam wat minder angstig word en vooral: meer vertrouwen in mezelf krijg. Ik doe het met baby steps en stel mezelf kleine doelen. Laatst ben ik voor het eerst zelf gaan rijden, zonder leraar maar met mijn man naast me. A small step for a woman, a giant leap voor Anne. En dat mijn dochtertje achterin heel hard riep: ‘MAMA RIJDEN! ALLEMAAL AAN DE KANT!’, tja, dat wijt ik maar aan kinderlijke eerlijkheid.

Lees ook: Rijangst? Abbey helpt zichzelf de weg weer op

Geschreven door