Relatietherapie (3): “Ik ben gewoon niet meer geïnteresseerd in je.”

Daar zitten ze dan. Op de bank van de relatietherapeut. Tosca (34) en Rutger (36) waren nooit een gezapig stel, maar nu ze kinderen hebben, vechten ze elkaar helemaal de tent uit. Sinds er bij de laatste drie ruzies geroepen is: “Weet je wat, dan moet we gdvrdgdvr maar uit elkaar,” vinden ze  de tijd rijp om in therapie te gaan. Vandaag deel 3: Het stel is zelden zo dicht bij een scheiding geweest.

Lees ook: Relatietherapie (deel 1): “Weet je wat? Dan moeten we maar uit elkaar!”

Tosca: “Als we in de auto zitten op weg naar onze therapeut, stoot ik Rutger aan en zeg ik: ‘Nou, soms denk ik wel…waarom zijn we er ook alweer aan begonnen?’ Rutger haalt zijn schouders op en antwoordt: ‘Dat we deze week weinig ruzie hebben gehad betekent niet dat het ook goed gaat tussen ons. Het interesseert me allemaal niet meer zo.’ Ik frons mijn wenkbrauwen: ‘Wat bedoel je nu? Wat interesseert je niet meer? Onze relatie? Het leven? Interesseer ik je niet meer?’ ‘Alles’, zegt mijn man. Er ligt meteen een blok op mijn maag.
We stappen de behandelkamer van Dick binnen en de relatie-expert vraagt hoe het ons de afgelopen tijd is vergaan. Ik antwoord dat ik dacht dat het allemaal wel ging, maar dat ik dat dus klaarblijkelijk helemaal verkeerd heb gezien aangezien mijn man net in de auto vertelde dat het hem allemaal niet meer zo interesseert. Hoe dat komt?, vraagt Dick. Rutger weet het niet, zegt hij. Misschien is hij gewoon moe, maar hij ziet het even helemaal niet meer. Ons hele leven is een grote strijd: de opvoedingsstrijd met onze kinderen en de relatiestrijd met elkaar. Ik voel me aangesproken en zeg dat ik dat ook allemaal niet wil, maar dat ik altijd maar het idee heb dat ik de kar moet trekken. Dat ik moet bedenken wat we gaan doen, hoe iets geregeld moet worden en dat ik dan inderdaad heel graag een beetje hulp wil en dat nee, niet altijd even aardig vraag. Maar god, het zou zo fijn zijn als er eens een beetje initiatief van die man zou komen. Zeg ik.

‘Praten jullie nog wel eens echt met elkaar?’, vraagt Dick. We knikken allebei van ‘ja’. Jahoor, we kletsen nog best vaak. ‘Maar zijn jullie ook echt geïnteresseerd in elkaar?’ We kijken elkaar aan en schudden tegelijkertijd nee. ‘Als ik heel eerlijk ben’, zeg ik, ‘wil ik altijd dat Rutger ’s avonds even snel zijn verhaal doet, want na het eten, badderen en in bed stoppen van de kinderen, ben ik zo moe, dan wil ik alleen nog maar Netflix kijken.’ Dick knikt en vraagt: ‘Maar vraagt Rutger jou nog wel eens naar hoe jij je ergens over voelt?’ Het is een vraag die ineens met een grote dreun binnen komt zetten, want ik besef dat dat nooit meer gebeurt.
Rutger voelt ‘m ook en begint te praten: ‘Tosca heeft altijd enorme verhalen en ik kan er de interesse echt niet meer voor opbrengen. Na twee zinnen denk ik: stop maar, ik weet het wel.’ ‘Hoe komt dat?’, vraagt Dick. Rutger: ‘Ik denk doordat ze vaak zo op me loopt te vitten. Ik krijg zo weinig van haar dat ik geen zin heb om haar wel veel te geven.’

Dick vraagt zich hardop af wanneer we nou eens gaan stoppen met dat bijhouden van ‘het kasboek’. Die opmerking hoor ik echter amper, want ik besef inderdaad nu pas heel goed dat ik de laatste jaren zo hard gehold heb, zo hard gewerkt, zo hard gezorgd, zoveel geregeld, dat ik allang blij was als we thuis geen ruzie hadden. Dat er op zo’n nonruzie-moment überhaupt te weinig interactie tussen Rutger en mij is dat valt me dan niet eens echt op. Maar nu wel: nu voel ik heel duidelijk dat ik me emotioneel verwaarloosd voel en dat ik hem ook emotioneel verwaarloos. Echt wezenlijke interesse hebben we niet meer in elkaar. Ik ben in iedereen om me heen geïnteresseerd, maar niet in mijn man.
Aandachtig hoort Dick het aan en dan zegt hij: ‘Maar denken jullie dat je alles van elkaar al weet?’ ‘Tuurlijk’, zeg ik, ‘ik ken die man van haver tot gort. Alles wat ik moest ontdekken heb ik al ontdekt.’ Verbaasd kijkt de relatie-expert me aan. ‘Denk je niet dat er nog kanten aan je man te ontdekken zijn waarvan jij het bestaan niet weet, omdat je nu eenmaal al besloten hebt dat je zijn hele persoon al kent?’ Ik moet het even laten bezinken en dan denk ik: daar zit inderdaad wat in. Zelfs Rutger veert overeind en zegt: ‘Wat een goede manier van elkaar benaderen. Elke dag weer bekijken wat je van elkaar kunt ontdekken. Onbevooroordeeld.’

Ik moet er plotseling van huilen. Wat is er deze sessie een pijn naar boven gekomen. Pijn waarvan ik niet eens wist dat ik die had. Hoe kun je jezelf ook voor de gek houden. Nog geen week geleden hadden we ineens een hele leuke dag met de kinderen en ’s avonds in bed lagen we nog te fantaseren over een derde kindje…en nu….nu heb ik het idee dat we dichter bij een scheiding zitten dan dat ik ooit kon vermoeden. Want: als er geen interesse is in elkaar en je laat dat een tijdje voortbestaan…wat is er dan nog tussen twee mensen?
Een beetje bedrukt verlaten we het pand. Die avond praten we nog uren door over wat we voelen en denken en wat we anders willen en hoe we vanaf nu anders met elkaar om zullen gaan. Net voordat we gaan slapen, hoor ik Rutger mompelen: ‘Maar Tos, uiteindelijk ligt het, hoe lullig ook, allemaal aan de komst van de kinderen. Voordat zij er waren hadden we dit gezeik niet.’ Ik besef dat het waar is. Maar god, ook al is het leven er niet makkelijker op geworden, toch zou ik de tijd niet terug willen draaien. We moeten gewoon hard aan de bak om de boel op de rit te krijgen. En dat gaat hopelijk echt wel lukken.

Lees ook: Relatietherapie (deel 2): “Misschien moeten jullie even een afkoelperiode inlassen”

Geschreven door