Waarom optimisme iets anders is dan je denkt (en hoe je het kunt leren)

Als je het over optimisme hebt, denk je al snel aan positief denken, aan het glas halfvol, de wereld bezien door een roze bril. En aan pessimisme als negatieve tegenhanger. Psycholoog Matthijs Steeneveld benadrukt dat optimisme eigenlijk iets anders is: de mogelijkheid zien om invloed uit te oefenen op je eigen leven. En dat kun je leren.

Hoe vaak hoor je niet ‘Wees optimistisch!’ of ‘Blijf positief denken!’. Ik heb zelf altijd een beetje moeite met dit soort kreten. Al is het zeker zo dat je met een gezonde dosis optimisme bergen kunt verzetten, mijn overheersende gevoel is vaak dat het niet iets is wat ik zomaar aan of uit kan zetten. Wat zomaar de oplossing is voor een probleem. Zo’n opmerking voelt voor mij vaak als een dooddoener, schreef ik al eens eerder hier op Mynd, eentje waaronder een andere boodschap schuilt: Ik weet niet wat ik hiermee aan moet, dus laten we er verder maar niet over praten. Als iemand roept dat ik positief moet denken, dan voelt dat vaak als een bevestiging van mijn eigen onvermogen: Ja, dat zou ik ook wel willen, maar het lúkt niet. Loser die ik ben…

Maar optimisme is helemaal niet per se het klakkeloos geloven in een gunstige afloop, geeft psycholoog Matthijs Steeneveld aan. Hij schreef het boek Optimisme – Hoop – Veerkracht – Zelfvertrouwen en heeft een interessante theorie over optimisme. Veel mensen denken dat optimisme de tegenpool is van pessimisme of van realisme. De optimist denkt positief, de pessimist denkt negatief en de realist ziet de feiten. Pessimisten en realisten vinden de optimist nogal eens naïef, ze bekijken de wereld door een roze bril. Steeneveld geeft een andere definitie, volgens hem is optimisme het geloof dat jij invloed hebt op jouw eigen leven, het vertrouwen dat jij iets kunt doen om jouw situatie iets beter te maken. Om dat te kunnen hoef je niet een aangeboren optimist te zijn. Je kunt het leren.

Om de theorie uit te leggen, beschrijft Steeneveld de (vrij nare) experimenten die Martin Seligman, grondlegger van de positieve psychologie, deed met honden. Daarin toonde hij aan dat je hulpeloosheid kunt aanleren. In een bepaald onderzoek zette hij twee honden op een metalen plaat in een kooi en liet daar elektriciteit door lopen. Hond nummer 1 kon de stroom uitzetten met een hendel. Hond nummer 2 kon dat niet, bij hem ging de stroom pas uit als hond nummer 1 de hendel had overgehaald. Die was dus afhankelijk van de ander.

In een volgende testopstelling plaatste hij beide honden opnieuw op een metalen plaat, maar nu zaten ze niet vast in een kooi maar konden ze ontsnappen over een laag hekje. Toen de stroom werd aangezet, ging hond 1 eerst op zoek naar een hendel en toen die er niet bleek te zijn, sprong hij over het hekje. Hond nummer 2 was aangeleerd dat hij zelf geen invloed had op de stroom en bleef ook in dit geval hulpeloos wachten tot het voorbij was. Terwijl hij dus net zo goed over het hekje had kunnen springen.

Dit is ook van toepassing op mensen. Als je hebt geleerd dat je invloed kunt uitoefenen op een bepaalde situatie, zul je dat ook eerder doen in andere situaties. Maar veel mensen gedragen zich toch meer als hond nummer 2. In stressvolle situaties verstijven ze en wachten af tot de situatie voorbij is. Dat gevoel van hulpeloosheid maakt dat ze een pessimistischer blik hebben op de wereld en hun leven. Omdat ze denken dat ze er zelf niets aan kunnen veranderen. Want ja, je ben overwerkt maar hebt geen vakantiedagen meer, en je geliefde heeft geen aandacht voor je omdat ‘ie zo druk is met eigen projecten.

Wat je verwacht beïnvloedt je gedrag. Als je verwacht dat je ergens geen invloed op hebt, leidt dat tot passiviteit, vermijding, angst en depressie. Als je wel het gevoel hebt dat je invloed kunt uitoefenen, dan geeft dit een positiever gevoel. In het terugpakken van de regie over ons leven zit dus het optimisme. Het gevoel dat jij wel degelijk iets kunt doen aan een situatie. Dat jij er zelf voor kunt zorgen dat er iets verbetert.

Dit gevoel van optimisme kun je trainen. Hoe doe je dat? Houd een positief dagboek bij. Schrijf een tijd lang iedere avond op wat de prettigste ervaring van de dag was. Dat kunnen kleine of grote dingen zijn: je hebt lekker gegeten of je hebt die droombaan gekregen. Je schrijft vervolgens op wat jij daaraan hebt bijgedragen. Dat lekkere eten was er omdat jij kookte, of omdat jij met iemand in een restaurant ging zitten. Het mag een hele kleine bijdrage zijn, misschien alleen maar het feit dat jij ’s ochtends überhaupt je bed uit kwam. Deze oefening helpt je bewuster te worden van de invloed die jij hebt op de dingen die er gebeuren, waardoor er lucht ontstaat, een gevoel van empowerment.

Je kunt dit ook toepassen op iets waar je mee worstelt, door jezelf af te vragen of jij daar iets aan kun veranderen. Iets heel kleins. Het zal niet zomaar een perfecte oplossing zijn voor het probleem, maar het geeft wel lucht. Het zal je het gevoel geven dat je enige invloed hebt, je bewust maken van je eigen daadkracht. Hierdoor voel je je minder machteloos.

Een valkuil is overigens dat we hierin doorschieten. Dat je gelooft dat je leven volledig maakbaar is, dat alles aan jou ligt en jouw verantwoordelijkheid is. Als je dat gelooft legt dat een enorme druk op je, omdat mislukkingen of negatieve emoties dus in feite je eigen schuld zijn. Het gaat erom dat je beseft dat jij een rol hebt in de dingen die gebeuren. Dat jij enige invloed kunt uitoefenen, maar er ook iets bestaat als geluk of pech. Maar dat er uiteindelijk altijd iets is wat jij kunt doen om je leven net even wat fijner te maken.

Lees ook: 9 dingen waarover ik altijd onterecht optimistisch blijf

(Beeld: iStock)

Geschreven door

Merel is freelance journalist. Ze houdt ervan het leven en zichzelf grondig te onderzoeken en daar uitgebreide analyses op los te laten. Verder houdt ze ook nogal van filmpjes over poezen. En luiaards. En rennende minivarkentjes en springende geitjes (liefst van de rug van een paard). Kortom: vaak komt Merel dus niet echt aan schrijven toe.