En hoe gaan we nu verder? Na #metoo?

Miriam is van slag. Het begon met de hashtag #MeToo. Ze las de ene na de andere getuigenis van vrouwen die eindelijk opschreven wat hen ooit was overkomen. Ze las columns, blogs, artikelen, interviews, achtergrondverhalen. Ze las alles wat los en vast zat over dit onderwerp. Elke keer weer verzamelde ze moed om die ene keer op te schrijven. Ze kon het. Ze wilde het. Maar ze deed het niet. Die allereerste keer dat je als vrouw, meisje in haar geval, wordt lastig gevallen vergeet je gewoon nooit meer. Elke keer weer dacht ze: “Nu schrijf ik het op. Nu schrijf ik het van me af. Nu ga ik schrijven over die ene keer. Die eerste keer.”

Ik ga schrijven over die ene keer dat ik, als elfjarig meisje samen met mijn ouders broertje en oudere zus in een overvolle metro in Parijs stond en werd aangerand. Werd aangerand waar mijn ouders bij waren. Hoe ik een hand op mijn billen voelde. Hoe iemand vreemd begon te hijgen in mijn nek. Hoe ik ergens wel wist dat er iets niet klopte maar ik het niet wist te benoemen. Hoe ongemakkelijk ik mij voelde. Hoe ik wanhopig de blikken van mijn ouders probeerden te vangen. Hoe ik bij elke halte hoopte dat wij uit zouden stappen. Dat die hand weg ging. Dat gehijg ophield. Hoe ik mijn vader smeekte om alsjeblieft uit te stappen omdat het zo druk was. Hoe mijn vader mijn verzoek afwees. Niet door had wat er aan de hand was. Papa. Toe… Hoe wanhopig ik mij voelde. Hoe ik me schaamde. Hoe ik, in mijn beleving úrenlang toestond dat er iemand steeds met zijn hand over mijn billen wreef. En er tussen. Steeds harder. Steeds ruwer. Dat ik probeerde om die hand te ontwijken maar dat dat niet lukte. Dat ik niet begreep waarom niemand door had dat er iets verschrikkelijk smerigs aan de hand was. Dat ik angst had dat het mijn schuld was. Had ik maar niet die lange rok aan moeten doen. Had ik daar maar niet moeten gaan staan. Had ik daar maar niet moeten zijn. Mama. Help. Papa kijk nou. Wij stapten uit. Eerst mama, toen wij, de kinderen en daarna papa. Daar ga ik over schrijven.

Ik zou willen schrijven dat ik in huilen uitbarstte. Of dat ik begon te schreeuwen. In plaats daarvan stapte ik uit en stond doodstil. Verroerde mezelf niet. Woest was ik wóedend. Niet op die dader maar op mijn vader. Ik begreep niet waarom hij niet uit was gestapt toen ik hem dat smeekte. Dat hij mij niet in bescherming had genomen. Dat hij mijn verzoek om alsjeblieft papa zullen wij uitstappen want het is hier zó druk, afdeed met een: Nee.

Ik kreeg op mijn donder. Wat deed ik nu toch moeilijk? Kon ik niet één keer gewoon normáál doen? Kom. Loop eens door. We moeten nog zoveel doen vandaag. Zijn we eindelijk met zijn allen in Parijs loop jij deze leuke dag een beetje te verstieren. Ik had willen schrijven dat mijn ouders merkten dat ik iets traumatisch mee had gemaakt. Dat zou ik willen schrijven.

Er zat iemand aan me’. Stilte. Wat bedoelde ik met dat er iemand aan mij zat? Was het niet logisch in die drukte dat iemand tegen mij aan stond? ‘Hij zat aan me’. Stokstijf stond ik daar. ‘Hij Zat Aan Mij’. Ik zou willen schrijven dat ik onmiddellijk het gevoel kreeg dat ik werd geloofd. Dat ik die traumatische ervaring in hun handen heb mogen leggen. Mijn ouders keken elkaar aan en keken toen naar mij. En toen die vraag. Die vraag waardoor ik dacht dat het allemaal aan mij lag. Dat ik er zelf om had gevraagd. Dat ik niets meer was dan een ding. Een voorwerp. Iets wat overal bepoteld mag worden. Zelfs in een overvolle metro. In fucking romantisch Parijs.

‘Waar raakte hij je precies aan dan?’

Ik ben al dagenlang van slag omdat iedereen het nu ineens de vraag stelt: Hoe nu verder? Wat kunnen wij doen om dit soort voorvallen voor eens en altijd de kop in te drukken? Er vrijuit over praten is belangrijk. Het benoemen is belangrijk. Jezelf er niet voor schamen is belangrijk. Je dochters en je zonen uitleggen wat grensoverschrijdend gedrag is, is belangrijk. Maar als ik ’s avonds laat nog even een rondje zap langs televisiekanalen dan weet ik dat we er nog lang niet zijn. Zolang er nog vrouwen zijn die in de camera kijken en zich zelf strelen, hun lippen tuiten en aflikken en bijna sméken om aangeraakt te worden gaat er nooit iets veranderen. Zo lang vrouwen zich als gebruiksvoorwerpen etaleren, zich als gebruiksvoorwerpen laten gebruiken, blijft alles zoals het was.

Mijn vader vroeg mij waar ik precies werd aangeraakt. Ik staarde naar mijn schoenen en ging kapot. Hij bleef zijn vraag herhalen. ‘Waar raakte hij je aan dan??’ Ik antwoordde, mij ondertussen doodschamend, uiteindelijk: tussen mijn billen. Ik heb mijn vader nog nooit zo hard horen vloeken. Zo boos zien worden. Maar het was al te laat. De metro was al weg.

Lees ook: Wat Jan Heemskerk heeft te zeggen over de #metoo-beweging

(Beeld: iStock)

Geschreven door