Hoe je als HSP’er het best omgaat met jezelf

Leren omgaan met hooggevoelige karaktertrekken, daar kun je járen zoet mee zijn. Janneke is nu bijna veertig en eindelijk heeft ze een soort balans gevonden. Dit zijn haar bekentenissen.

LEES OOK: Empaat of HSP-er? Er is één groot verschil

Als peuter voelde ik – als ik mijn moeder mag geloven – al haarfijn de gevoelens van andere mensen aan. Ik ging ze troosten als ze verdrietig waren, zelfs als ze dat niet openlijk uitten. Overigens leerde ik al snel dat je beter niet té gevoelig kunt zijn. Goedbedoelde opmerkingen van volwassen – ‘je moet niet huilen’, ‘maak je niet zo druk’, ‘het is niet erg’ maakten me duidelijk dat het niet wenselijk is om je emoties te veel te laten zien. En dan waren er nog een ander soort opmerkingen van volwassenen – ‘het gaat prima met me’, ‘nee hoor, niets aan de hand’, ‘wat is het hier leuk’, terwijl ik bij de ander iets aanvoelde dat min of meer haaks stond op wat diegene zei.

Ik leerde dus mijn gevoeligheid wat te temperen en meed mensen (ook kinderen) die onecht op me overkwamen, omdat ik niet wist hoe ik moest reageren op wat ze zeiden. Zolang ik één of twee vriendinnetjes had die wél oprecht aanvoelden, ging het prima met me. Pas toen ik rond mijn elfde van school veranderde, ging er iets mis. Máánden duurde het voor ik gewend was aan mijn nieuwe omgeving, het ander soort prikkels, de geuren in de gang, de geluiden. Zonder te veel in detail te treden: het was niet bepaald het soort school waar het handig was om HSP’er te zijn. Je werd er bijvoorbeeld geacht te lachen, ook als je je niet vrolijk voelde. Dus ik deed wat elke HSP’er zou doen: ik draaide mijn gevoeligheidsknop volledig uit. Op een gegeven moment had ik door hoe ik net kon doen alsof het goed met me ging, zoals ik dat anderen zag doen.

Een jaar of wat leefde ik met mijn ratio als belangrijkste raadgever. Eenmaal weer op een ‘normale’ middelbare school, meed ik groepen en de meeste mensen, en bleef ik mijn best doen níet te laten merken wat ik voelde. Dat lukte maar ten dele, hoor. Volgens mij kon je al van drie kilometer afstand zien wat er in me omging. Het lastige was: net als de meeste jonge HSP’ers had ik zelf geen idee waar al die gevoelens vandaan kwamen. Emoties van anderen nam ik namelijk regelmatig over, alsof ze van mezelf waren. Wat ik ermee aan moest – ik had vaak geen idee.

Gelukkig had ik inmiddels een ‘oplossing’ voor deze kwaal. De symbiotische relatie. Als ik maar innig genoeg met iemand versmolten was – een vriendin, zus of een vriendje – dan kon ik veel meer aan. Ik kon dan als het ware meedeinen op de energie van die ander. Ineens kon ik me dan wel in groepen mengen, of het lang uithouden op feestjes, of andere dingen doen die me anders hadden uitgeput. Het kostte een aantal jaar voor ik doorhad dat dat toch ook z’n keerzijde had. Want met zo’n symbiotische relatie kon ik dan misschien meer hebben, de relatie zelf kon behoorlijk uitputtend zijn. Zat die ander niet lekker in z’n vel, dan ik ook niet. Werd die ander ziek, dan ik meestal ook. De scherpe HSP-kantjes was ik dan misschien kwijt, echt verder kwam ik er ook niet mee.

Uiteindelijk kwam het allemaal goed. Bij mij hielp het vooral om een aantal jaar alleen te zijn, zonder dat ik hoefde te dealen met de dagelijkse emoties van anderen. Daardoor leerde ik onderscheid te maken tussen welke emoties van mezelf afkomstig waren, en welke bij andere mensen hoorden. Fysieke activiteit hielp ook. In mijn geval veel wandelen, yoga, fietsen, dansen (maar dan niet een perfectionistische variant, want dat is nu juist een HSP’er-valkuil). Ik ontdekte dat ik het nieuws en de kranten beter kon mijden, niet omdat het me niet interesseerde, maar omdat ik dagen, zo niet weken van slag kon zijn van een nieuwsbericht. Ik leerde dat de mensen die onecht op me overkwamen, natuurlijk net zo echt waren als ikzelf, dat ze alleen maar een andere manier hadden om met situaties om te gaan. Ik kwam erachter dat perfectionisme mijn grootste valkuil is: zodra de druk hoog wordt, ga ik proberen alles om me heen perfect te krijgen (o zó vermoeiend, en niet alleen voor mezelf). Uiteindelijk ontdekte ik ook dat ik me juist wél graag verbind met mensen en met groepen – en dat een groep dus eigenlijk gewoon een verzameling individuen is. Dat het oké is om me daarbij kwetsbaar op te stellen, en dat het niet erg is dat iedereen van drie kilometer afstand al kan zien wat er in me omgaat. Trouwens, de grootste emotiestorm is gaan liggen nu ik beter onderscheid kan maken tussen mijn eigen gevoel en dat van de ander.

Ik schrijf dit op, omdat ik denk dat de meeste HSP’ers in hun leven zo’n zoektocht doorlopen. Waarbij ze op zoek zijn naar de juiste balans, nu eens doorschietend naar de ene kant, dan weer naar de andere. Ik denk ook dat er misschien wel meer HSP’ers zijn dan de schattingen nu uitwijzen. Volgens mij kun je een groot deel van die aangeboren gevoeligheid onderdrukken met bijvoorbeeld koffie, alcohol, (bewerkt) eten, excessief sporten, beeldschermvluchtgedrag, te veel werken, et cetera. En had ik koffie al genoemd? De meeste HSP’ers zijn verslavingsgevoelig, dus het kan verleidelijk zijn om op zo’n manier je gevoeligheid de kop in te drukken. Maar dan sla je dus weer door met het zoeken naar een balans – misschien ben je er zo bedreven in dat je niet eens wéét dat je hooggevoelig bent. En dat is jammer, want ik geloof dat hooggevoeligheid lang niet alleen maar een last is, maar vooral ook een kracht. Mits je maar weet hoe je je eigenschappen in je voordeel kunt gebruiken én in het voordeel van anderen – want de meeste HSP’ers willen iets wezenlijks bijdragen aan de wereld.

Stiekem droom ik weleens van een wereld waarin we allemáál onze gevoeligheid meer durven te laten zien. En dan bedoel ik niet dat we allemaal zeurpieten of huilebalken worden, maar wel dat we gewoon eerlijk durven zijn over wat er in ons omgaat. Dat daar ook ruimte voor is. Dat niemand meer de schijn hoeft op te houden, maar we overal en altijd eerlijk en transparant kunnen zijn. Dat we onze kinderen (vooral jongetjes) niet meer opvoeden met ‘je moet niet huilen’, maar met ‘gooi het er maar even lekker uit’. Dat we op ons werk kunnen zeggen dat het even ruk gaat, zonder dat je meteen uitleg verschuldigd bent, of de rest van de dag meewarige blikken van je collega’s krijgt. Ik denk dat hier een taak is weggelegd voor de HSP’er. Want zitten we eenmaal lekker in ons vel, dan kunnen wij als geen ander laten zien dat emoties niets zijn om je voor te schamen. En dat in kwetsbaarheid juist de grootste kracht schuilt.

LEES OOK: De ene HSP-er is de andere niet. Welk type herken jij?

(Beeld: Unsplash)

Geschreven door

Janneke Jonkman schreef vier romans en een tv-film en blogt tegenwoordig graag over (tweeling)moederschap en andere belangrijke zaken. Haar favoriete emoties zijn weemoed en geluk. Ze is nog steeds benieuwd wat de zin van het leven nou precies is. Als ze erachter is, ben jij de eerste die het hoort.