Merel ging 10 dagen op stilteretraite en dit is wat er gebeurde

Een aantal jaar geleden nam haar vader Merel mee naar een tiendaagse meditatiecursus. Een verhaal over eindeloze stilte, vogelpoep en stiekem bananen eten op het toilet.

Kwart voor acht ‘s avonds. Mijn vader en ik omhelsden elkaar. Veel succes. De afscheiding tussen het mannen- en het vrouwengedeelte ging omhoog en de stilte ging in.

Nog tien dagen te gaan.

Ik was 26 toen mijn vader mij voor het eerst meenam naar een Vipassana meditatiecursus. Hij had het licht een paar jaar eerder gezien. Na een jarenlang patroon van roken, drinken en ontevredenheid was hij gezonder en positiever dan ooit. Mijn eerste meditatiecursus werd een van de meest bizarre ervaring ooit. Om vier uur ’s ochtends ging de gong. Elf uur per dag zaten we op een kussen, in kleermakerszit, de ogen gesloten. We observeerden onze ademhaling en later de sensaties in ons lichaam. En probeerden gelijkmoedig te reageren, te accepteren wat er gebeurde. Elk uur liepen we vijf minuten door de grote tuin. En dat alles in complete stilte, altijd.

Nog negen dagen.

Stiekem bestudeerde ik mijn meditatiegenoten. Er was de vrije vrouw met harembroek. Het jonge meisje met nepnagels. Het volgetatoeëerde bouwvakkerstype. Nederlands, Italiaans, Syrisch. We leefden samen, deelden slaap- en badkamer, aten in dezelfde zaal, maar mochten niet communiceren.  Naast iemand op een bankje in de tuin moest je doen alsof de ander niet bestond. Al waren er momenten dat dat even doorbroken werd, zoals de keer dat iemand vogelpoep op haar arm kreeg en de anderen elkaar aankeken en in lachen uitbarstten.

Nog acht dagen.

Dit leek op niets wat ik ooit eerder had gedaan. Mijn hersenen probeerden orde op zaken te stellen, elke ervaring te labelen. Ik stelde me voor dat ik het mijn moeder uitlegde: het is zó, of eigenlijk zó, nee zó. Het is fijn. Het is walgelijk. Het is rust. Het is oorlog. Het was alles tegelijk, oorlog zeker. Slaaptekort. Honger. Verveling. Pijn. Crisis. Al die regels waar ik me aan moest houden. Vooraf had ik ze gelezen en was akkoord gegaan. Maar totale overgave bleek lastig. In de uren dat je op je eigen kamer mocht mediteren deed ik stiekem powernaps. Tijdens het fruituurtje smokkelde ik een extra banaan mee. Avondeten kregen we namelijk niet. Vlak voor het slapen sloot ik me op in het toilet en at hem muisstil op. De bananenschil verstopte ik in een maandverbandzakje.

Nog zeven dagen.

In bed voerde ik boze gesprekken in mijn hoofd. Waarom krijgen we na elf uur ’s ochtends niets normaals meer te eten? Waarom moeten we om vier uur ’s nachts opstaan om met mediteren te beginnen? Als ik de hele dag in slaap val tijdens mijn meditatie leer ik toch niets? Ik overwoog me te beklagen in een gesprek met de leraar. Ik deed het niet, omdat ik vermoedde dat ik het antwoord zou krijgen dat we op alles kregen: observeer het maar, dit gevoel. Probeer gelijkmoedig te reageren op wat er gebeurt. Hier krijg je de kans ermee te leren omgaan.

Nog zes dagen.

Stemmingswisselingen, zo extreem als ik ze nog nooit had gehad. Het ene moment werd ik onder vuur genomen door negatieve gedachten. Het volgende moment voelde ik me de Rust en Aanwezigheid zelf, alsof ik achterover leunde in mijn eigen lichaam en vol liefde de wereld bezag. Tijdens de wandelingetjes buiten knerpten de grindjes wonderschoon onder mijn voeten en ontroerde de zachte, mossige bosgrond me hevig.

Nog vijf dagen.

Als er niets is om je af te leiden, zoek je entertainment in andere dingen. Als ik door de tuin liep hoorde ik onder de grond mollen wroeten. In het stukje bos zat een mannetjesmerel op een tak nieuwsgierig naar me te loeren. Ik zond telepathische berichten naar hem. Uw mensenvriend groet u. Op een middag keek de halve vrouwengroep met open mond naar een kat die over het grasveld liep.

Nog vier dagen.

Traag als stroop volgden de uren elkaar op. Soms kon ik het concentreren op mijn lichaam niet meer opbrengen en zat ik op mijn kussen te wachten tot het uur voorbij was en we weer naar buiten mochten. Volgde de verhalenstroom in mijn hoofd. Luisterde naar de geluiden om me heen. Het geschuifel. Gehoest. Gehuil. Wachtte op de klik ten teken dat de audio opname weer begon en de zangstem van de goeroe zou klinken.

Nog drie dagen.

Dat gezang. Dag zes vielen we even collectief uit onze concentratie toen de chanting wel erg begon te lijken op het geluid van een geit. Een hele vrouwenrij kreeg de slappe lach.

Nog twee dagen.

Op dag negen hield ik het bijna niet meer. Nog één dag en dan mag ik weer praten!

Nog één dag

Maar op dag tien, toen de deuren van de meditatiezaal opengingen en ik geroezemoes van buiten hoorde, bleef ik zitten waar ik zat. En huilde. Negen dagen lang had ik uitgezien naar het moment dat ik niet meer alleen zou zijn met mijn gedachten. Nu wilde ik niet. Ja, het was zwaar geweest. Maar ik had ook een rust gevoeld die ik herkende uit een ver verleden, waarin zesjarige Merel zorgeloos zandkastelen bouwde en in papa’s armen in slaap viel. Ik wilde nog niet terug naar die ingewikkelde echte wereld, met al z’n sociale regels en verwachtingen.
Eenmaal buiten zag ik hem staan, mijn papa. Al die tijd was hij er ook geweest, aan de mannenkant. Een kwelling was het geweest, om te moeten dealen met mijn demonen en niet naar hem toe te kunnen. Al was lichamelijk contact nog niet toegestaan, toch liet ik me tegen hem aanvallen. Praten was onmogelijk na negen dagen stilte en een ervaring die niet in woorden te vatten was.

De effecten van deze waanzinnige, vreselijke en tegelijkertijd prachtige ervaring zoemden nog maanden na. Ik voelde me high on life. Fietste door de stad alsof ik die voor het eerst zag. Totdat de dagelijkse dingen weer de overhand namen en het leven weer normaal werd.

Lees ook: Adem in adem uit? Hier denk je ECHT aan tijdens yoga

(Beeld: iStock)

Geschreven door

Merel is freelance journalist. Ze houdt ervan het leven en zichzelf grondig te onderzoeken en daar uitgebreide analyses op los te laten. Verder houdt ze ook nogal van filmpjes over poezen. En luiaards. En rennende minivarkentjes en springende geitjes (liefst van de rug van een paard). Kortom: vaak komt Merel dus niet echt aan schrijven toe.