Als je een fobie hebt voor overgeven

Ja, daar kun je ook een fobie voor hebben: mensen die overgeven of, o horror, zelf overgeven. Mariëtte weet er alles van en is er doodsbang voor.

Lees ook: Angstig zijn is niet grappig, maar deze illustraties hierover wel

We waren ter hoogte van Lille en ik reed. Hard. En een tikje gevaarlijk, ook. Ik wilde naar huis, maar huis was ver weg en ik verkeerde in een mengeling van angst, paniek en boosheid. Angst omdat er naast me een lijkbleek en doodziek figuur zat (mijn echtgenoot), paniek omdat het eigenlijk een beetje onvermijdelijk was dat de overduidelijke voedselvergiftiging zich voordat wij thuis waren zou manifesteren en boosheid omdat ik – totaal onredelijk, I know – wilde foeteren wie er dan ook steak tartare in een schimmig Frans restaurant bestelde, op de laatste dag van de vakantie. Wist hij veel, de arme schat. Hij was echt heel beroerd en hoefde van mij nul steun te verwachten, en accepteerde dat omdat dit is wat er gebeurt als je mij in de buurt zet van iemand die misselijk is. Dan wil ik op de vlucht en als dat niet kan, word ik bang. Onredelijk, extreem bang.

Als ik mensen vertel dat ik een ware fobie heb voor overgeven, moeten ze meestal lachen. Het is ook niet hun hobby, en tja, ja, niemand vindt het toch echt lekker? Nee, dat klopt, maar dat is wel iets anders dan iedere dag bedacht zijn op mogelijke bacillen die virussen kunnen overbrengen. Op mensen die zeggen dat ze ergens in de afgelopen pak-m-beet twee weken een dergelijk virus hebben gehad vakkundig vermijden en al helemaal niks van hen aanpakken. Op ’s nachts in paniek wakker worden omdat er een kind onschuldig aan het hoesten is. Op voortdurend je handen ontsmetten, vooral in de trein. Op met twee vingers in je oren liedjes hummen omdat je ervan overtuigd bent dat je man die gewoon even naar het toilet gaat de badkamer onderkotst. En niet af en toe.

Een groot deel van mijn angst is gebaseerd op besmettingsgevaar. Ik ben panisch voor mensen die overgeven, maar nog veel panischer om dat zelf te doen. Jarenlang lukte het me om alles en iedereen te vermijden die mogelijk een virus zou kunnen overbrengen. Ik ben een freak voor houdbaarheidsdata en neem in het buitenland – en ja, daar hoort België ook bij – nooit een slok kraanwater. Zo werd ik heel lang niet ziek, al word ik nog steeds weleens wakker van die keer dat ik moest overgeven in een vliegtuig. Jaren geleden, maar nog steeds kan ik dat doodsbange gevoel terughalen. Mijn man was het na een dag al vergeten, toen ik na twee maanden zei dat ik het nog altijd zo verschrikkelijk vond, moest ik hem helpen herinneren wat er ook alweer was gebeurd. Ik heb helemaal geen last van luchtziekte, overleef turbulentie lachend, maar slik sindsdien altijd Primatour voor een vliegreis en ik durf niet meer te slapen want dat schijnt misselijkheid in de hand te werken. Die pillen zijn pure placebo’s, dat weet ik op rationeel niveau ook wel, maar dit is niet rationeel.

Er is een naam voor: emetofobie. Er zijn ook therapieën voor, maar alles begint met exposure (dat je geconfronteerd moet worden met waar je bang voor bent) en bij dat idee ben ik al afgehaakt. Het schijnt voor een deel allemaal te maken te hebben met controleverlies en dat kan wel kloppen, want ik ben een control freak. Maar niet elke control freak heeft emotofobie, dus er zal vast meer aan de hand zijn. Mijn zus heeft het ook, je zou zeggen dat het dan in the family runs, maar da’s leken-psychologie van de koude grond. Ik weet eigenlijk gewoon niet waar het vandaan komt, kan geen gebeurtenissen terughalen uit mijn jeugd. Wel weet ik iedere keer dat ik als kind heb overgegeven als de dag van gisteren en was ik altijd doodsbang, dus het zat er al vroeg in.

Sinds ik kinderen heb (thank god voor zwangerschappen zonder een minuut misselijkheid, trouwens!), zijn er twee dingen veranderd. Ik ben bang om mijn fobie op hen over te brengen en dat wil ik echt niet, want het is echt niet fijn om hier altijd mee bezig te zijn. Een melkspugende baby kan ik nog wel aan, maar nu ze groter worden, wordt het moeilijker. Ik ben gelukkig gezegend met twee kinderen die weliswaar aan de lopende band verkouden zijn, maar gelukkig heel weinig overgeven. Maar áls het een keer gebeurt, moet ik zo rustig en normaal mogelijk reageren, zodat zij zelf niet in paniek raken. Maar heel eerlijk, dat lukt niet altijd. Ik loop eigenlijk het liefst weg en laat mijn man het oplossen. Da’s in elk geval beter dan die paniek, denk ik dan maar. Als ik alleen met ze ben, parkeer ik het desbetreffende kind ergens anders en ga dan trillend en zelfs huilend de rommel opruimen. De dagen daarna ben ik voortdurend misselijk, niet van het virus, maar van angst.

Het tweede is dat ik niet alles en iedereen kan vermijden die mogelijk zou kunnen overgeven dan wel een virus onder de leden kan hebben. Sterker nog, als ze ziek zijn, hangen de kinderen het liefst als aapjes om me heen. Het gaat gelukkig meestal goed, maar toch, zo nu en dan waart er een virus rond hier thuis. Twee keer ben ik er zelf ziek van geworden, beide keren ten koste van veel angst en horror. Eén keer alleen mijn man. Dat was heel zielig voor hem, want ik ben dan geen leuke, verzorgende echtgenote, maar een bozige, angstige heks die hem op zulke momenten het liefst dagenlang vermijdt. Bovendien moet hij van mij zo zacht mogelijk overgeven in de badkamer, en de schat houdt zich daar nog braaf aan ook. (Normaal ben ik echt wel leuk hoor, even ter verdediging.)

Ik moet hier iets mee, dat weet ik ook wel. Misschien toch die therapie en, o horror, die exposure. De kans dat ik er zomaar vanzelf overheen groei, wat ik heel lang hoopte, is niet zo groot. Ik zal nog jarenlang te maken krijgen met kinderen die ziek kunnen worden en dan recht hebben op een moeder die gewoon normaal doet in plaats van spastisch. En mijn man kan ook wel wat warmte gebruiken als-ie een keer ziek is. Hoewel hij tot nu toe gelukkig snapt dat dit mijn grootste angst is en, ziek of niet, rekening met me probeert te houden. Neem die keer dat we vanuit Frankrijk terugreden. Uiteindelijk redde hij het tot de grens. Ik stopte met piepende banden net voor een parkeerplaats en trok met duizelingwekkende snelheid op toen hij weer instapte, ondertussen ratelend dat ik het niet wilde weten en dat hij gewoon moest zeggen dat alles goed was. Hij knikte slap en bleekjes en herhaalde fluisterend dat natuurlijk alles goed was, schatje. Met 180 over de A2 scheurde ik naar huis. Op een halve kilometer voor ons huis liet de man me stoppen en kroop lijkbleek weer uit de auto, omdat hij ‘liever het laatste stukje ging lopen’. Ik voel me nog steeds schuldig.

Lees ook: Altijd bang: DIT zijn de symptomen van een angststoornis

(Beeld: Unsplash)

Geschreven door