Het dertigers dilemma: “Is dit alles…?”

Vala is halverwege de dertig en vraagt zich soms af wat er van haar geworden is. Want, wat is er gebeurd met alle grote dromen die ze vroeger had? Met rijk en beroemd worden? Want dat was toch het plan? Hoe kan het dan dat ze soms opeens ’s morgens wakker wordt en denkt: “Serieus? Is dít alles?”

Lees ook: Sterke karaktereigenschappen die vaak verkeerd begrepen worden

Ik was een dromerig kind. Speelgoed, buiten spelen, televisie kijken, ik had er niks mee. Terwijl mijn vriendinnetjes de haren van hun Barbies kamden, of spelletjes kwartet speelden met hun ouders, zat ik op mijn kamer, met een stapel boeken en een blocnote. Fantaserend en verhalen schrijvend. Ik had mijn toekomst al helemaal uitgestippeld en die zou groots en meeslepend worden. Schrijfster werd ik en niet zomaar eentje. Bestsellers zouden het worden, ik zou over de hele wereld gelezen worden en in alle boekwinkels liggen. Vanuit mijn appartement in New York zou ik het ene succesvolle boek na het andere afleveren, bakken met geld verdienen en als accessoire een al even succesvolle Wall Street banker in designer maatpak aan mijn arm hangen. Het is dat Candace Bushnell met de eer is gaan strijken, maar eigenlijk zou ik een deel van de winst van het succes van Sex & the City moeten krijgen. Carrie Bradshaw bestond namelijk al veel langer in mijn hoofd, voordat ze uit de pen van Bushnell rolde.

Nu ben ik 34 jaar en woon ik in een gezapige burgermans woning (zo eentje met een voortuintje met een buxushaagje), samen met een kantoorpik, een autist en een chronisch zieke peuterpuberende reldiva. How the hell did that happen? Als ik in de boekwinkel kom, prijkt op geen enkele kaft mijn eigen naam, ik ben slechts één keer in New York geweest en toen was ik 17 jaar en sliep ik met mijn ouders op een veel te krappe hotelkamer in een zielloze wolkenkrabber in Brooklyn. Ik denk niet dat zij het destijds goed hadden gevonden als ik een knappe zakenman mee naar mijn uitschuifbed had gesleept, hoe duur zijn pak ook was. Ik slijt mijn dagen heen en weer rennend tussen kantoor, kinderdagverblijf en supermarkt, onderwijl de billen van mijn dochter afvegend en schreeuwend tegen mijn zoon dat hij niet nóg meer insecten op mijn koffietafel mag deponeren. En als die kantoorpik dan ‘s avonds thuis komt, heeft hij koffievlekken op zijn pak en kunnen we niet eens uit eten in het sushi-restaurant du jour. De piepers staan namelijk al op het vuur.

Soms denk ik dat ik een vervroegde midlife crisis heb. Waarschijnlijk dat ik daarom ook eindelijk rijlessen ben gaan nemen. Ik heb natuurlijk niks aan zo’n rode sportwagen met open dak als ik niet zelf glamoureus achter het stuur kan zitten. Hoe kan het dat er weinig terecht is gekomen van al die mooie toekomstdromen van een klein meisje op haar Amsterdamse kamertje? Heb ik niet goed opgelet en ergens per ongeluk een verkeerde afslag genomen? Ik had met een lading Louis Vuitton tassen op Schiphol moeten staan, maar blijkbaar heeft mijn richtingsgevoel me in de steek gelaten, want opeens stond ik met een verhuiswagen vol Ikea meubels in een vinexwijk. Is dit alles? Die vraag schiet soms door mijn hoofd, als om 06.00 uur ‘s ochtends weer die wekker gaat, onmiddellijk gevolgd door de opmerking die je nou vooral níet wilt horen voordat je je eerste kop koffie hebt gehad: “Mamaaa, ik moet poeoeoepen!”. Terwijl ik mijn zoon slaapdronken op het toilet hijs en probeer de giftige dampen die hij produceert te negeren, zodat mijn nuchtere maag zich niet omdraait, vraag ik me dan toch af waar het fout is gegaan.

Echter, toen mijn man en ik laatst in Amsterdam waren en heel even konden doen alsof we succesvol en fabulous waren, spraken we de man van een vriendin. Hij is nog geen dertig jaar, ziet er werkelijk oogverblindend uit in een maatpak én heeft een succesvol eigen bedrijf, waarin het werk compleet door andere mensen gedaan wordt, maar hij toch miljoenen verdient. Zelf reist hij de hele wereld rond, kan alles kopen wat hij leuk vindt en precies doen wat hij zelf wilt. Maar hij was er wel klaar mee. “Want”, zei hij terwijl hij me vermoeid aankeek, “Is dit alles?”. Terwijl ik me verslikte in een slok koffie en me afvroeg of hij nou heel erg arrogant was, of gewoon een beetje gek, zuchtte hij even diep. Hoe leuk is het nog, als je alles kan? Als alles mogelijk is? Als je nergens meer naar hoeft te verlangen? Op de opmerking van mijn man dat hij wel graag ergens in de woeste Noorse bossen een rendierenboerderij wilde beginnen, haalde de miljonair zijn schouders op. “Ik kan misschien beter gaan trouwen” zei hij, “en kinderen krijgen”. We staarden elkaar aan. Een wereld van verschil. Of toch niet?

De mens is een intrinsiek ontevreden wezen. Het gras is altijd groener aan de overkant. Weliswaar nergens zo groen als in de keurig gecultiveerde perkjes van mijn woonerf, maar toch zou ik soms liever in het Vondelpark zitten. Met mijn MacBook en mijn Manolo Blahniks. Terwijl de miljonair een nieuwe Rolex koopt in de P.C. Hooftstraat en eigenlijk liever in een vinexwijk de billen van zijn kinderen af zou willen vegen. Het is ook nooit goed. Was ik volmaakt gelukkig geweest als ik nu in Manhattan bestsellers had geschreven, met uitzicht op Central Park? Als mijn man in Armani op de beurs million dollar deals had gesloten en we ‘s avonds met New Yorks’ glitterati de clubs onveilig maakten? Als we ‘s ochtends vroeg níet de drollen van een tweetal kleuters moesten doorspoelen? Ik denk het niet.

Oh, wat zou het leuk zijn, mijn naam gedrukt te zien op de kaft van dat boek. Als ik daar aan denk, ben ik weer even dat kleine meisje, dromend boven haar blocnote. Als nou alleen díe droom mag uitkomen, dan ben ik verder een tevreden mens. Laat Manhattan, die Manolo’s en dat maatpak dan maar zitten. Ik heb tenslotte al een kantoorpik, een autist en een relpeuter. En eigenlijk is dát pas rijkdom.

Lees ook: Waarom knappe mensen het écht makkelijker hebben in het leven

Geschreven door