Hoe je je leven leeft als je kind is geëmigreerd

Het lijkt zo mooi. Een kind dat een succesvol leven leidt in het buitenland. En natuurlijk wil elke ouder maar één ding: dat zijn of haar kind gelukkig is. Maar het gemis dendert op onverwachte momenten je hart binnen.

Ik moest vorige week nog even snel boodschappen doen. Het begon al aardig te schemeren. Het regende zachtjes toen ik de parkeerplaats op reed. Vanuit het niets greep er een hand naar mijn strot. Ik haalde diep adem. Niet nu. Niet hier. Ik worstelde mezelf los. Slikte mijn tranen in en liep vervolgens met opgeheven hoofd richting supermarkt.

Afgelopen week. Er viel een trein uit. Daardoor moest ik overstappen op Schiphol. Ik nam de roltrap naar boven om op het andere perron te komen. Bovenaan de trap stond ik ineens in de vertrekhal. En daar was weer die hand. Ook dit keer weer wist ik te ontkomen. Ik heb leren huilen zonder tranen. Ik heb geleerd om datgene waar ik verschrikkelijk verdrietig van word weg te stoppen. Ik heb geleerd om dwars door al mijn pijn heen overeind te blijven staan. Niemand die iets ziet. Niemand die wat merkt. Niemand die iets hoort. Ik zwijg. Want het benoemen is bijna niet mogelijk. En als ik het wel benoem heeft het geen naam. Dus houd ik mijn mond.

Achteraf ga ik altijd op zoek naar een verklaring. Wat was er aan de hand waardoor ik ineens overmand werd door verdriet? Welke gedachte, welke herinnering riep die specifieke situatie nou bij mij op? Ik doe dat omdat ik mijn gevoel wil, nee omdat ik mijn gevoel móet, rationaliseren. Omdat die emoties mijn leven niet mogen beïnvloeden. Omdat ik op zo’n moment aan niemand kan vertellen wat er aan de hand is. Dus moet ik het wel voor mijzelf helder krijgen. Anders verlies ik mezelf in een verdriet dat eigenlijk geen naam heeft.

Dit is het geval. Mijn dochter (28) is vorig jaar geëmigreerd naar het buitenland. Niet vanwege haar studie. Niet vanwege haar baan. Niet voor een aantal maanden of een paar jaar. Ze is geëmigreerd naar het buitenland om daar haar verdere bestaan op te bouwen. Voor altijd. Toen ik vorige week boodschappen ging doen deed ik dat in een supermarkt uit mijn jeugd. Daar kwam ik al vóór ik moeder was. Daar kwam ik al als kind. Mijn onderbewustzijn bracht mij even terug in de tijd dat ik nog in een soort van onbevangenheid leefde. Terug in de tijd, toen ik met heel andere zorgen te maken had dan de zorg om mijn inmiddels volwassen in het buitenland woonachtige dochter. Binnen een paar seconden transformeerde ik op die parkeerplaats van klein meisje naar jonge moeder. Van jonge moeder naar een moeder met een volwassen kind. Van een ouder die elke dag haar kind zag naar een ouder die af en toe dagenlang geen idee heeft hoe het met haar kind gaat. Is ze gelukkig? Gaat het wel goed met haar? Zou ik het voelen als er iets aan de hand is? Moet ik haar troosten? Zou zij mij ook soms zo missen?

We namen afscheid van haar op Schiphol. Haar vader, haar stiefmoeder, haar zusjes, mijn zoon (haar broer) haar vrienden en vriendinnen, kennissen en ik. Haar moeder. Niet één keer keek ze mij aan. Geen enkele keer pakte ze mij vast. En terwijl ze met iedereen op de foto ging en iedereen persoonlijk gedag zei, ontweek ze elk contact met mij. Ik heb haar nagekeken toen ze door de gate liep. Elke dag sinds haar geboorte met haar passeerden in sneltreinvaart de revue. Haar eerste stapjes, haar eerste verjaardag. Die eerste dag naar de kleuterschool. De eindmusical in groep acht. Haar stampende puberbeentjes. Haar eerste menstruatie. Haar eerste vriendje. Het opgroeien naar een jonge vrouw. Haar huwelijksdag een paar weken daarvoor. Ze zwaaide nog één keer en ze was weg. Ik heb mezelf nog nooit zo eenzaam gevoeld.

Vijfenzestighonderd kilometer ben ik van haar verwijderd. Vijfenzestighonderd kilometer en miljoenen herinneringen verder zijn wij van elkaar verwijderd. Zij maakt nieuwe herinneringen aan waarin ik geen rol meer speel. Ik maak dingen mee die ik niet met haar zal delen. Ik weet het. Ik ben haar moeder en zij is mijn dochter. Ze leeft. Als moeder wil je maar één ding. Dat je kind gelukkig is.

Die hand die mij af en toe bij mijn strot grijpt en mij alle adem beneemt wil ik niet benoemen. Dat onvoorstelbare missen van mijn dochter moet ik elke dag parkeren. Ik kan haar bellen. Appen. Skypen. Ik kan naar haar toe vliegen. Maar niet op dát moment.

Dat missen slaat alleen elke keer zo onverwachts toe. Die pijn heeft geen naam. Het enige wat ik kan doen is heel diep adem halen, mezelf overeind trekken en dóór gaan. En hopen dat zij daar, vijfenzestighonderd kilometer verderop niets van heeft gemerkt.

Lees ook:Brief aan mijn moeder: ‘Het grootste compliment is als mensen zeggen dat ik op jou lijk’

(Beeld: iStock)

Geschreven door