‘Mag ik op je schoot zitten?’ vroeg hij. En meer rampdates

Merel is al een tijdje single. Er zijn periodes dat ze vol goede moed aan het daten slaat. Het enige wat het oplevert zijn goede verhalen. Ze ontmoet nogal veel mannen die ehh laten we zeggen voor iemand ánders vast heel leuk zijn. En soms gewoon thuishoren in de categorie ‘ontsnapte tbs-er’.

Niet dat ze allemaal vreselijk zijn. Ik heb eens gedate met een leuke jongeman die gepassioneerd lid bleek te zijn van de Christen Unie. Niets mis mee natuurlijk. Maar de hele avond heb ik (heiden) in een soort kramp gezeten omdat ik merkte hoe vaak ik Jezus! of Djiezaz! of een andere afgeleide naam van God´s zoon de ruimte in wilde slingeren als ik enthousiast aan het praten was. Om al mijn woorden in de gaten te houden ging ik in een soort staccato spreken. Dat bevordert niet echt de gezelligheid, kan ik je vertellen. Uitgeput kwam ik thuis.

Internetdaten heb ik ook wel eens geprobeerd. Apart toch, dat ze er prima uitzien op hun foto en je een leuk chatgesprek voert met ze. En dat er dan opeens een soort freggel voor je staat die zo te zien weinig zonlicht heeft gezien in zijn leven. Niet zo oordelen Merel, dacht ik, misschien is hij hartstikke leuk. Maar voor ik deze gedachte af had, hoorde ik hem nogal hoog en hysterisch lachen om iets wat ik zei. Nu ben ik vrij hilarisch, maar ik geloof dat het gesprek niet veel verder was dan ‘hoi hoe gaat het leuk je te ontmoeten’. Verder bleek hij eigenlijk alleen maar te kunnen praten over zijn onderzoek naar het gebruik van de antilopehoorn bij een bepaalde nomadische stam. Interessant, maar vier uur lang? En daar kwamen ook nog eens een paar joekels van kalknagels tevoorschijn, toen hij zich tijdens de parkpicknick ontdeed van zijn schoeisel.

Of die andere man, met de ondefinieerbare kwakjes in zijn mondhoeken. Die op zijn stoel sprong toen er een hommel langs vloog en gilde: ‘Wat een unit!!’ Ik houd wel van gevoelige mannen, maar graag met schone mondhoeken en in staat hun kalmte te bewaren bij rondvliegend insectenspul.
Dan had je nog de jongen die deed alsof zijn neus bloedde toen ik hem belde om te zeggen dat ik best met hem bevriend wilde blijven, maar niet meer wilde daten. Date, date? Waren we aan het daten dan? Nou, ik weet niet hoe jij het in jouw universum noemt als we samen eten en de hele avond praten en zoenen en vervolgens tussen de lakens eindigen. Daten? Was dat daten? Gek, hij had de memo daarover niet ontvangen. Vriend. Heel boeiend hoor, een filosofische discussie over de definitie van daten…. Maar. Niet. Meer. Zoenen. Nee. Seks. Nee. Stoppen. Do you copy?

De allerergste date had ik in mijn studententijd. In een bus raakte ik aan de praat met een leuk manspersoon naast me. Hij had een gitaar bij zich, schreef muziek voor reclames, vertelde hij. We hadden een leuk gesprek en wisselden nummers uit. Een paar dagen later zaten we in een café. Ik stelde hem allerlei vragen over zijn werk, hij gaf korte antwoorden en stelde geen wedervragen. Na ongeveer twintig minuten kletsen besloot hij de boel alvast even te gaan analyseren.
‘We zijn elkaar aan het leren kennen,’ informeerde hij me. ‘Het is op zich een prettig gesprek. Je hebt wel een nogal gesloten persoonlijkheid.’
Ik staarde hem aan. Zoveel vraagtekens in mijn hoofd. En uitroeptekens. Toen ik weer kon praten, zei ik: ‘Op zich hebben we pas twintig minuten gepraat… Ik geloof niet dat dat lang genoeg is om conclusies te trekken over mijn persoonlijkheid.’
Hij knikte bedachtzaam. Ik deed een poging het gesprek te vervolgen en stelde nog meer vragen. Niet veel later viel het woord ‘kruisverhoor’. Weer de vraagtekens. Moest ik nu echt de bal terugkaatsen en zeggen dat hij zelf nogal zuinig was met zijn antwoorden? En nauwelijks vragen stelde aan mij?

Wanneer mag ik weg, vroeg ik me af. ‘Kun je me anders wat van je muziek laten horen?’ vroeg ik.
De opnames stonden thuis op zijn computer, gaf hij aan. Hij woonde naast het café.
‘Anders gaan we hier weg,’ zei ik, ‘en laat je even wat horen.’ Kan ik daarna door naar huis, was mijn redenatie. Achteraf snap ik niet helemaal waarom ik dacht dat het een goed idee was om mee naar huis te gaan met iemand die duidelijk de boel niet helemaal op een rijtje had.
Ik zat op de bank in zijn woonkamer, hij drentelde wat rond.
‘Ga je me nou nog wat muziek laten horen?’
‘Ja, zo,’ zei hij.
Shit, dacht ik. Dat is de enige reden dat ik hier ben. Ik drong aan, plagerig.
Hij klapte zijn laptop open, er klonken een paar tonen, toen klikte hij op stop.
‘Hé,’ zei ik lachend, ‘was dat alles?’
Hij begon te schreeuwen: ‘Het is persoonlijk, ja! Ik kan dat niet zomaar laten horen!’
Ik sprak zachte, bezwerende woordjes en hield een oog op de deur naar buiten.
Hij stond voor me, weer gekalmeerd. ‘Mag ik bij je komen zitten?’
‘Ehh…?’ piepte ik.
Hij nam plaats. Op mijn schoot. Hij legde zijn hoofd op mijn schouder. Ik klopte hem wat ongemakkelijk op zijn rug en zei jajaa nounou poepoe.

Na een kwartier durfde ik te mompelen dat ik eigenlijk misschien wel zo zou moeten gaan. Bij de deur vroeg hij of hij me een knuffel mocht geven. Om te voorkomen dat hij weer zou gaan schreeuwen of erger omhelsde ik hem voorzichtig.

De volgende dag stond hij op mijn voicemail. Was gezellig geweest gisteren! Of ik zin had in koffie vandaag. Ik belde terug. ‘Misschien is dat niet zo’n heel goed idee,’ zei ik voorzichtig. ‘Volgens mij passen we niet helemaal bij elkaar.’
‘O?’
‘We hebben ongeveer drie keer ruzie gehad in anderhalf uur tijd…’
Hij riep dat ik beperkt was, nergens voor open stond. Waarom ik eigenlijk belde.
‘Omdat ik een fatsoenlijk mens ben, dat netjes terugbelt.’
Middenin een nieuwe tirade van hem heb ik opgehangen.

Een paar maanden later kwam er een vriendenverzoek van hem op Facebook. Die heb maar even verwijderd.

Lees ook: Single? Maak je geen zorgen! (en DIT is waarom!)

Geschreven door

Merel is freelance journalist. Ze houdt ervan het leven en zichzelf grondig te onderzoeken en daar uitgebreide analyses op los te laten. Verder houdt ze ook nogal van filmpjes over poezen. En luiaards. En rennende minivarkentjes en springende geitjes (liefst van de rug van een paard). Kortom: vaak komt Merel dus niet echt aan schrijven toe.