Waarom ik liever in een dorp woon dan in een stad

Bijna vijftig jaar geleden werd Miriam geboren in een Wouwseplantage. Een dorpje met slechts duizend inwoners. Drie caféetjes. Twee campings en twee hele kleine winkeltjes. Ze verhuisde op haar veertiende naar Etten-Leur. Daarna naar Tel-Aviv Israel. En weer terug naar Etten-Leur. Met haar gezin vertrok ze naar Bergen op Zoom, een heel leuk provinciaals stadje, en na haar scheiding werd het Wildert (B). Sinds drie jaar woont wederom in Etten-Leur. Een uit de kluiten gewassen dorp. Het is zoals het spreekwoord zegt. ‘Je kunt het meisje wel uit het dorp halen maar het dorp niet uit het meisje’.

Af en toe ga ik naar de redactie in Amsterdam. Met de trein. Voor mij voelt dat alsof ik op schoolreisje ben. Bij elk station waar we stil staan gaat mijn hart sneller kloppen. Dan stappen er mensen in die er anders uitzien. Anders reageren. Mensen die ik niet ken. Ik herinner me nog dat ik ooit verkering had met een jongen uit Rotterdam. Elke keer als ik uitstapte en via een zij-ingang het station verliet had ik kleingeld in mijn hand. Voor al die arme zwervers. Wist ik veel dat dát Perron Nul was en dat die mensen die ik aanzag voor zwervers junkies waren? Junkies? In het dorp waar ik vandaan kwam had je alleen maar Lowieke. Een man van een bepaalde leeftijd die graag een borreltje dronk in één van de twee cafeetjes die mijn dorp rijk was en die soms zijn roes uitsliep op het bankje voor de kerk.

Elke keer als ik op Centraal Station Amsterdam uit de trein stap en mijzelf begeef in die deinende mensenmassa besef ik: ‘Niemand kent mij hier’. Ik kan gewoon neervallen met een grote kans dat iedereen gewóón over mij heen stapt. Het beangstigt mij. Die totale anonimiteit. ‘Weer zo’n junk’.  Inmiddels weet ik dat ik, als ik op de tram stap richting Rozengracht, de bestuurder niet uitgebreid gedag moet zeggen en, aan hem, of haar, moet vragen hoe het is. Inmiddels weet ik óók dat ik mijn medereizigers niet uitgebreid moet begroeten bij binnenkomst. En ook weet ik inmiddels dat ik gewoon uit moet stappen zonder te zwaaien of zo. Ik wéét het. Maar toch doe ik het. Het zit in mijn systeem.

Ik houd namelijk niet van de hardheid van een stad. Het niet willen zien. Het niet willen delen. Het onzichtbaar willen zijn. Het anonimiseren van die ander. Ik begrijp gewoon niet dat jij ruimte inneemt en die ander in je schaduw probeert te zetten. Dat jij lekker wilt blowen prima. Maar dat ik jouw uitgeademde geur tot mij moet nemen? Ik snap dat niet. Net als dat ik gewoon niet begrijp dat jij net doet alsof jij alleen bent en niet voor mij wijkt als ik je tegemoet kom lopen en geen stap opzij zet. Het niet begroeten. Het willen ‘zijn’ ten koste van die ander. Ik hou er niet van als ik een winkeltje binnen stap en ik vraag om iets dat jij mij dan niet aan kijkt. Laat staan mij niet begroet.

In een stad moet je constant iemand zijn die je niet bent. Of wenst te zijn. Grosso Modo komt het er op neer dat je in een stad constant jezelf moet overschreeuwen om gehoord te worden door die ander. En dat kan ik niet. En dat wil ik niet. Ik woon in een dorp. En ja. De sociale controle is groot. ‘Mir? Waar was je gisteren?’ ‘Mir? Alles goed met je moeder?’ ‘Hé? Jij bent toch de zus van Eva?’. Is haar huis al verkocht?’ ‘Mir? Gisteren waren je schoonouders twee-en vijftig jaar getrouwd. Waarom heb je niets laten weten?’ ‘Mir? Oude kaas en onze eiersalade? We hebben nu iets nieuws. Proef even.’ ‘Mir? Heb jij nog iets gehoord van Petertje? Is hij al geopereerd?’ ‘Mir? Vraag even aan JP of hij tijd heeft om naar mijn lekkage te komen kijken?’ ‘Mir? Was jij nou zo dronken gisteren?’ ‘Mir? Jij was toch op zoek naar een kast voor je zoon?’

Tell me. Is dat erg? Die sociale controle?

Ik vind het fijn om deel uit te maken van een ‘community’. Een community die aan mij vraagt of ik even wil bemiddelen tussen X en Y. Die vraagt aan mij om ‘Petertje’ die geopereerd is op te halen uit een ziekenhuis. Om op een terras neer te strijken en iedereen uitgebreid te kunnen begroeten. Ja. We houden elkaar in de gaten. Ja we roddelen veel. Maar als het er op aan komt? Dan zijn wij er voor elkaar. Ik kan zijn wie ik ben, doen wat ik doe, vanwege het feit dat ik in een dorp woon. ‘Mir? Wat schrijf je toch leuk! Alles goed met je kinderen?’ Heerlijk. Dit meisje komt uit een dorp en het dorp zit diep in mij geworteld.

Bemoeizucht? Donder op. Saamhorigheid. Ja. We letten op elkaar. NOU EN? Wij letten en bekommeren om elkaar. In Goede en in Slechte tijden. En? Mocht ik ooit neervallen? Iedereen weet wie ik ben. Niemand zal over mij heenstappen. En daarom zou ik nooit in een stad willen wonen.

Lees ook: 30 dingen die mensen uit het oost’n meteen begrijpen

(Beeld: iStock)

Geschreven door