Pluk de dag! Want voor je het weet is het voorbij

Je knippert één keer met je ogen en je zit in het bejaardentehuis achter de geraniums. Natuurlijk, we weten het allemaal: de tijd gaat sneller dan je denkt. Voor je het weet ben je 85 en in de winter van je leven. Maar toch laten we het leven gewoon maar aan ons voorbij glijden, staan we er meestal niet bij stil dat het ook zomaar afgelopen kan zijn. En eigenlijk is dat zonde.

32 Jaar lang ging het prima met mij. Ik was zo fit als een hoentje, nooit ziek. Nou ja, af en toe een verkoudheidje, maar daar was alles dan ook wel mee gezegd. Kortom: ik was onoverwinnelijk. Dat dacht ik althans stiekem. Zoals zoveel mensen die niet direct geconfronteerd worden met hun eigen vergankelijkheid. Maar toen sloeg in de lente opeens de bliksem in. Na een periode van rare klachten, uitvalsverschijnselen en pijn, kwamen de artsen met hun meedogenloze vonnis: Multiple Sclerose. Chronisch ziek. Voor altijd. Ik zie me nog lopen na het krijgen van de diagnose, langs de dijk naast het ziekenhuis, proberend mijn ongeloof en verdriet met elke stap in het asfalt weg te laten zakken. Misschien kwam ik binnen afzienbare tijd in een rolstoel terecht. Of erger. Onoverwinnelijk? Dus niet. Kwetsbaar? Blijkbaar wel.

Waarom had ik in al die 32 gezonde, zorgeloze jaren niet meer van het leven genoten? Waarom had ik het allemaal gewoon sudderend voorbij laten kabbelen, zonder werk te maken van wat ik écht graag wilde? Want opeens, plotseling, zat ik op de klok. Bungeejumpen gaat nou eenmaal niet zo makkelijk meer als je in een rolstoel zit. Niet dat ik ooit echt het verlangen had gehad mezelf aan een elastiekje van een brug te storten, maar het idee dat het straks misschien niet eens meer zou kúnnen, was angstaanjagend. En vooral: confronterend. Mijn autonomie was van mij afgepakt. Opeens nam het leven de regie van mij over en stond het keihard in mijn gezicht te schreeuwen: “Word eens wakker, domme gans! Dacht je nou echt dat jij het voor het zeggen had?” Nee, blijkbaar niet. Waarom had ik me dat nooit gerealiseerd? Waarom was ik altijd in de veronderstelling geweest dat het leven maakbaar is?

Heel simpel: omdat het mens-eigen is om niet geconfronteerd te willen worden met onze eigen sterfelijkheid, met de wetenschap dat het toch echt een keer ophoudt. Ergens is dat ook wel goed, want stel je voor dat we altijd maar bang zouden zijn voor ons eigen levenseinde, of dat van onze dierbaren. Dan kun je niet meer normaal functioneren, raak je verlamd door angst. Volgens psychologen treden er, op het moment dat we worden herinnerd aan onze eigen kwetsbaarheid, mechanismen in werking die de balans in ons hoofd proberen te herstellen: het zogenaamde ‘terror management’. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat mensen die nooit gelovig zijn geweest, zich op zulke momenten ineens gaan verdiepen in religie, of zich plotseling gaan verdiepen in spiritualiteit. Onze ‘ziel’ wordt belangrijker dan ons lichaam. Omdat je ‘zijn’ niet gegrepen kan worden door de vergankelijkheid. Hiermee maken we onszelf wijs dat we hoe dan ook voort blijven bestaan, ondanks het feit dat Magere Hein op de deur staat te kloppen.

Deze processen zorgen ervoor dat we na een korte periode van schok en ongeloof toch weer verzanden in de neiging om het leven ‘for granted’ te nemen. De goede voornemens die we hadden gemaakt verdwijnen langzaam weer naar een plekje achterin ons hoofd en we vallen terug in oude gewoonten en routines. De verwachtingen die onze omgeving van ons heeft worden weer belangrijker dan de dingen die we zelf eigenlijk graag zouden willen, we berusten ons in slechte relaties en laten onze gezondheid er maar een beetje bij hangen. Ook als we een tijdje geleden te horen hebben gekregen dat we een aandoening hebben die ons leven weleens zou kunnen verkorten.

Ik zou graag willen zeggen dat ik mij daar niet schuldig aan maak, maar dan zou ik mezelf onterecht op de borst kloppen. Ook ik ben, toen de eerste schok van mijn diagnose was verdwenen, toch weer te hard gaan werken. Terwijl de neuroloog me op het hart had gedrukt dat teveel druk en stress nieuwe aanvallen in de hand kunnen werken. Ik slaap te weinig en ik zou meer tijd in de buitenlucht kunnen doorbrengen, beter op mijn vitaminen kunnen letten. Allemaal dingen die heel belangrijk zijn voor iemand met Multiple Sclerose. Maar ik lap het te vaak aan mijn laars. Waarom? Omdat het leven toch doorgaat en ik ergens vind dat ik in de pas moet lopen. Er wordt van mij verwacht dat ik 50 uur in de week werk, want er is altijd wel iets dat moet gebeuren. Ik conformeer me aan de eisen en wensen van mijn omgeving, omdat ik mezelf vertel dat dat zo hoort. En dat stemmetje, dat soms dan zachtjes fluistert over die rolstoel, daarvoor ben ik, lekker makkelijk, Oost-Indisch doof.

Moet we dus toch de hele tijd stilstaan bij onze kwetsbaarheid en het feit dat ons leven eindig is? Nee, want dan zou je een heel depressief leven leiden. Maar er wat váker bij stilstaan kan geen kwaad. In plaats van de dood te vermijden, kunnen we hem beter zien als een hulpmiddel om ons heel bewust te zijn van het leven. Je af en toe realiseren dat het in principe ieder moment afgelopen kan zijn, maakt je meer bewust van de waarde van wat je hebt en stimuleert je om te gaan halen wat je nog zou willen hebben. Alhoewel het leven uiteindelijk bepaalt wanneer jouw persoonlijke doek valt, speel je toch voor een groot deel zelf de hoofdrol. En het zou zonde zijn om die plek op het podium niet in te nemen. Daarom: pluk jouw dag. Carpe diem.

Beeld: iStock

Lees ook van Vala: De scheiding (deel 1): vasthouden wat al weg is.

Geschreven door