Tijd, toch écht belangrijker dan geld

We willen allemaal meer, meer, meer. Gek genoeg leidt die drang vaak wél tot meer geld, maar niet tot meer tijd. Terwijl we daar evenveel – of meer – behoefte aan hebben dan aan geld. Tijd om het roer om te gooien?

De optimistische mensvisie gaat uit van de gedachte dat mensen in staat zijn te leren van ervaringen en situaties. Het klinkt simpel: je brandt je billen, moet op de blaren zitten en voortaan kijk je wel beter uit waar je je achterwerk laat zakken.
Dat leren schijnt dus niet de dagelijkse praktijk te zijn. Werkend en ondernemend Nederland (nee, dat is net per definitie hetzelfde) worstelen sinds de industriële revolutie met twee grootheden: tijd en geld. Wat hebben ze gemeen zul je je afvragen en wat doen ze dan hier tesamen in dit stukske?
Beiden gaan over tekort. En over de wens er meer van te hebben. Meer tijd en meer geld. Of liever nog beiden tegelijkertijd.

Sinds het slaan van een officiële munt, hebben we geld als ruilmiddel. Voor geld kunnen we tijd kopen: die van anderen of we kunnen onze eigen tijd verkopen. En dat gebeurt sinds de industriële revolutie op grote schaal. Uren werden productie-eenheden, mensen werden leverancier van tijd, in ruil voor geld. Voor geld kon je weer dingen kopen zoals eten en drinken en doordat steeds meer mensen hun landbouwwerktuigen in de wilgen hingen, en zich bekeerden tot loondienst in een fabriek, werd de nieuwe werkende klasse geboren: de werknemer.
Sinds de jaren 50 in de vorige eeuw verscheen er literatuur over tijdmanagement en werd efficiency tot norm verheven. Met als resultaat dat wij collectief zijn gaan geloven dat stilstand achteruitgang is en dat vooruitgang dus groei betekent. En groei betekent in een markteconomie: meer omzet en meer inkomen. Meer doen in minder tijd is daar een uitvloeisel van. We geloven heilig in efficiency. Als we maar dingen snel doen, slim doen, meteen doen en ook meteen goed doen, bestaat er een kans dat we voldoen aan de groeinorm die we onszelf op leggen, of die we opgelegd krijgen door targets die vastgesteld zijn door het MT of de directie.

Versnellen is de permanente doestand waar we met elkaar in terecht gekomen zijn en is het het adagio van de 20 en de 21e eeuw. Die doestand is een toestand die niet zomaar over is als je de drempel van je voordeur overstapt na een dag van drukdoen. Onze prive-tijd vullen we ook met doen in de hoogste versnelling. Ook daar is stilstand achteruitgang en we willen collectief niet achterblijven bij de mooie nieuwe auto van de buren. Veel ach en wee, wat heb ik het druk.
We zitten in een vreemde verstrengeling met tijd en geld: hebberigheid en graaiculturen hebben Nederland naar de rand van de economische afgrond gebracht. Hebberigheid en graaiculturen horen bij het Tijd is Geldprincipe en zijn onverbrekelijk verbonden met groei. Hebberigheid en een gevoel van een tekort zijn uitstekende motivatoren om in de benen te komen.

Toch raar dat het gebrek aan tijd er niet toe geleid heeft dat de mensheid collectief heeft geroepen: liever tijd dan geld en ik doe niet meer mee in deze ratrace. Want er wordt meer geklaagd over een gebrek aan tijd dan aan een gebrek aan geld. En raar maar waar: hoe meer tijd hoe minder geld, en hoe meer geld hoe minder tijd. Door het hoge tempo, door permanent in de versnelling te leven, raken we meer en meer het contact kwijt met het plezier dat een simpele handeling je kan verschaffen.
Met aandacht in het nu zijn, geeft een gevoel van rust en verbinding met dat wat je aan het doen bent. Daardoor ontstaat het gevoel dat je een zee van tijd hebt; je rekt de tijd op als het ware. En daar kan geen geld tegenop.

Geschreven door