Waarom ik het liefst voor altijd veertig (plus) wil blijven…

Volgend jaar wordt Miriam vijftig en ze kan wel stoer gaan lopen roepen dat ‘leeftijd niets zegt’ en dat je ‘zo oud bent als dat je je voelt’ maar de waarheid is dat ze er ontzèttend van baalt. En dat ze het kut vindt. Ze is namelijk nog lang niet klaar met veertig zijn. Want veertig is nog jong. Vijftig is oud.

Dolblij was ik toen ik twintig werd. Eindelijk af van die stomme 1 voor mijn leeftijd. Die 1 die zei dat ik nog een tiener was, een puber, een halfbakken product. Nee dan twintig. Hallo Wereld. Hier ben ik. Jong. Fris. En toch ook een soort van echte vrouw. Volwassen. Twee kinderen kreeg ik als twintiger. Ik ontdekte, tot mijn eigen verbazing, dat er een moedertje in mij schuilde. Dat ik zorgzaam was. Geduld bezat. Dat ik mijn eigen verlangens en wensen opzij kon zetten voor anderen.

Dertig worden vond ik lekker. Die eerste paar jaren stonden in het teken van opgroeiende kindjes, vrijstaand huis aan het water, kasten vol kleding, mooie vakanties, twee auto’s voor de deur. Tegen de helft van mijn jaren dertig kwam de onrust. Eerst tikte die onrust nog zachtjes op mijn schouder en kon ik dat getik nog een jaar of drie negeren. Maar die tikjes werden steeds harder. Tot ze op een dag als mokerslagen bij mij binnen kwamen. Mir. Wakker Worden! Nu!

Bijna twintig jaar van mijn leven had ik lopen zorgen. Voor mijn kinderen. Gezin. Mijn partner ondersteund zodat hij carrière kon maken. Twintig jaar lang had ik mijzelf van ondergeschikt belang gemaakt. Ik wist niet meer wie ik was. Wat ik wilde. Hoe ik me voelde. Wat ik zelf leuk vond. Of interessant. Waar ik opgewonden van kon worden. Waar ik mij aan kon storen. Wat mij kon laten schaterlachen. Ik voelde niets meer. Ik was één grote klomp levende massa cellen die langzaam maar zeker ophielden te bestaan. Ik leek net zo’n steeds langzamer pulserend kloppend hart. Voor de buitenwereld tekende ik voor de vorm nog wel eens een lach op mijn gezicht. Binnenshuis deed ik alles op de automatische piloot. Zorgen, eten, slapen. Zorgen, eten, slapen. Op mijn achtendertigste woog ik, -1m 82-, nog maar tweeënvijftig kilo.

Er volgde een scheiding. Ik werd verliefd. Ik leerde weer lachen. Ik ontdekte wat ik leuk vond en wat niet. Ik begon weer te voelen. Vrolijk te zijn. Boos te worden. Ik leerde te genieten van seks. Mijn jongste verliet het nest en…. ineens was ik negenenveertig jaar en zes maanden. Tien jaar van mijn leven waren voorbij gevlogen. Tien jaar had ik nodig gehad om mijzelf volledig te resetten.

Het eerste wat ik heb geleerd is het woord: NEE.

Het tweede wat ik heb geleerd is: Geen Zin In.

Derde: Doe ik niet.

Belangrijkste wat ik mezelf heb toegeëigend? Nooit meer sorry zeggen voor iets wat ik niet met opzet deed.

Als jong meisje, als jonge moeder, als begin dertiger had ik al wel door dat je, wanneer je tegen de vijftig aan loopt, andere beslissingen neemt. Anders in het leven staat dan op jongere leeftijd. Ik associeerde assertief zijn, je grenzen kunnen duiden, niet aardig meer gevonden willen worden met; later-als- ik- groot- ben -gedrag. Later als ik ‘oud’ ben. Niet met mijzelf. Niet met datgene wat ik leerde te gebruiken om mezelf te resetten: Nee. Geen Zin In. Doe Ik Niet. Sorry#NotSorry

Nog zes maanden voor ik vijftig word. En dat, dát vind ik dus gewoon kut met peren. Ik heb nog exact zes maanden de tijd om te genieten van ‘mijn jeugd’. In niets meer, in geen enkel opzicht ben ik die tiener, die twintiger of die dertiger van toen. Maar een vijftiger? Dat nog lang niet.

Lees ook: VIVA FORTY! Waarom het leven alleen maar beter wordt als veertiger

(Beeld: iStock)

Geschreven door