Als je geen contact hebt met je ouders. Deel 1: het vergeten kind

Vala heeft sinds een tijd geen contact meer met haar ouders. Dat is voor velen moeilijk te begrijpen, want breken met je familie, dat doe je toch gewoon niet? Maar na 33 jaar ging het gewoon teveel pijn doen.

Ik ben 17 jaar en sta voor het raam van mijn slaapkamer in mijn ouderlijk huis. Zwijgend staar ik naar buiten, de tuin in. Achter mij is leegte, het huis is leeg. De laatste dozen zijn net door de verhuizers naar buiten getakeld. De grote vrachtwagen is klaar om naar het buitenland te rijden met mijn hele jeugd verpakt in bubbeltjesplastic. Mijn ouders emigreren. En ik blijf hier. Alleen. Ik ben net gaan studeren aan de andere kant van het land en daarom op kamers gegaan. Het startschot voor mijn ouders om hun biezen te pakken. De opvoeding is tenslotte voltooid, de kettingen van het ouderschap kunnen los. Eindelijk, want eigenlijk duurde het al 17 jaar te lang. Als de voordeur voor de laatste keer achter mij dichtvalt slik ik mijn tranen weg. Niet grienen. Ik ben tenslotte 17 jaar en woon op mezelf. Ik red het makkelijk zonder ouders. Toch?

Ik ben een bevoorrecht kind. Opgegroeid op de Amsterdamse grachtengordel in een mooi huis, met maatschappelijk succesvolle ouders. Ik had alles wat mijn hartje begeerde. Kleding, speelgoed, iedere avond een drie gangen menu, vakanties, you name it, I had it. Maar, zoals het een verwend kind betaamt, had ik liever iets anders gehad. Liefde. Erkenning. Acceptatie. Ik had er namelijk helemaal niet moeten zijn. In de jaren ’70 verkondigden mijn ouders op nationale televisie dat zij bewust kinderloos waren, dat ze zich absoluut niet wilden voortplanten. Want kinderen waren maar een beperking en bovendien een uiting van egoïsme. Nee hoor, ze moesten er niet aan denken. Maar ja, een ongelukje zit in een klein hoekje. En dus stond dat ongelukje op 17-jarige leeftijd op de gracht een verhuiswagen uit te zwaaien waarin haar ouders opgelucht richting de vrijheid gingen.

Meer dan ooit wist ik op dat moment dat ik er nooit had moeten zijn. Iets dat eigenlijk altijd wel duidelijk was. Dat mijn ouders nooit ouders hadden moeten worden. Hielden ze niet van me? Jawel, dat denk ik wel. Weet ik wel zeker. Maar waar de meeste kinderen een verrijking zijn, ben ik een beperking. Zonder mij hadden mijn ouders waarschijnlijk kunnen bereiken waar ze naar op weg waren. Door mij hebben ze die doelen niet bereikt. Potentieel succes moeten inleveren. Want met mijn geboorte, stierven er voor hen bepaalde kansen. En het is me altijd duidelijk gemaakt dat ik daar dankbaar voor moest zijn. Dankbaar voor de offers die ze hebben moeten maken. Dankbaarheid. Het loopt als een rode draad door mijn leven. Ja, ik heb altijd alles gehad. Maar ik heb er nooit om gevraagd. Dus waarom is het dan toch mijn schuld dat mijn ouders dat allemaal hebben moeten geven?

Ik doorloop mijn studie met succes, gedreven en verantwoordelijk. Stap zo’n twee keer per jaar in het vliegtuig en doe dan alsof ik alles onder controle heb, me niet in de steek gelaten voel. Omdat ik volwassen moet zijn, terwijl ik eigenlijk nog een kind ben. Tot ik eenmaal afgestudeerd terugkeer naar de stad. En dan toch eindelijk gegrepen wordt door de eenzaamheid en de paniek waar ik zo lang voor ben weggelopen. Ik heb niks meer om me aan vast te houden. Geen collegetijden. Geen scripties, opdrachten en tentamens. En geen ouders. Het echte leven is begonnen en ik weet niet hoe het werkt, welke kant ik op moet. Maar er is niemand om me een klein beetje de weg te wijzen. Want ik ben alleen.

En daarom stort ik me in zijn armen. De armen van een man met reebruine ogen die wel raad weet met bange meisjes zoals ik. Die mijn behoefte aan begeleiding en bescherming ruikt, als een roofdier op zoek naar bloed. Een jaar lang leeft hij zich op me uit, zowel lichamelijk als geestelijk. Nadat hij op een avond een kussen op mijn gezicht drukt en daarna een broodmes op mijn keel heeft gezet weet ik dat als ik nu geen hulp zoek, het niet goed met me komt. Anderhalf jaar lang praat ik met een psycholoog, die me al snel laat zien dat het niet zozeer de blauwe plekken van de handen van deze man zijn die hebben gezorgd voor littekens op mijn ziel, maar het feit dat ik al heel veel langer het gevoel heb dat ik er niet mag zijn.

En dan zit ik op een dag thuis op de bank. En word overvallen door een helse pijn. Niet fysiek, maar emotioneel. Maar die ik door mijn hele lijf voel. Het verdriet, de eenzaamheid en de pijn zijn zó groot dat ik er letterlijk van in elkaar zak. Huilend lig ik op de grond in mijn appartement. Alleen. Ik pak de telefoon en bel naar het buitenland. Om eindelijk te vertellen hoe ik me voel. Echt voel. Hoe bang ik ben geweest, hoe verloren en verdrietig. Eindelijk durf ik te zeggen wat er door me heen gaat. Het achterste van mijn tong te laten zien. Te huilen. Aan de andere kant van de lijn blijft het even stil. En dan klinkt het: “Wil je niet zo’n toon aanslaan? Weet je wel hoe ondankbaar je bent?”

Ik hang op. Inmiddels ben ik 22. En nog steeds alleen.

Lees ook: Persoonlijk verhaal: verzoenen met je ouders

Geschreven door